H

"Haters van den HEER
Heb ik mijn ziel niet stil gezet,
Heeft dan dit volk, dat groeit in euveldaân,
Heeft dan dit volk, dat groeit in euveldaân,
Heeft dan, o HEER, Uw gramschap nimmer end?
HEER, ai, maak mij Uwe wegen,
HEER, doe mij spoedig ademhalen;
HEER, door goedheid aangedreven,
HEER, ik voel mijn krachten wijken
HEER, onze Heer, grootmachtig Opperwezen!
HEER, onze Heer, grootmachtig Opperwezen!
HEER, open Gij mijn lippen door Uw kracht,
Heft uwe handen naar omhoog,
Heilig zijn, o God, Uw wegen;
Helaas, het best van onze beste dagen
Hen, die op mijne ziele loeren,
Herdenk de trouw, aan ons voorheen betoond;
Herdenk, mijn God, herdenk die wonderdaân!
Herinnert u, gij roekelozen,
Het aardrijk zij rechtvaardigen en vromen
Het briesend paard moet eind'lijk sneven,
Het donker bos weergalmt op 't hees geschreeuw
Het heidendom werd voor hen weggedreven;
Het heil is ver van 't goddeloos geslacht,
Het heillot, dat rechtvaardigen verkregen,
Het kost'lijk bloed van Uwe gunstgenoten,
Het nuttig vee en 't roofziek bosgediert',
Het onderpand van 't heerlijk alvermogen,
Het ruime hemelrond
Het trots gedrag des bozen doet
Het trotse Moab, overheerd,
Het vogeltje vindt schuilplaats in hun loof,
Het volk, dat Gij hebt uitverkoren,
Het vuur verslond de strijd'bre jongelingen,
Het woeste volk zal voor Hem knielen;
Hier raakten zij aan 't kwijnen
Hij dacht in gunst, door hunne ramp bewogen;
Hij deed vol kracht hen voor Zijn pijlen zwichten;
Hij deed Zijn knecht van achter 't vee zich spoeden,
Hij doet de grote waat'ren zwellen,
Hij doet den storm bedaren,
Hij gaf aan Jacob Zijne wetten,
Hij geeft m' opnieuw een danklied tot Zijn eer,
Hij heeft de kracht Zijns werks getoond
Hij heeft den vloek op zich genomen:
Hij heeft een diepen kuil doen delven,
Hij heeft gedacht aan Zijn genade,
Hij heeft voorheen aan Mozes Zijne wegen,
Hij heeft zijn wortels uitgeschoten;
Hij heeft, na lang geduld,
Hij heeft, o God, van U begeerd
Hij heelt gebrokenen van harte,
Hij is, al treft u 't felst verdriet,
Hij is door elk beroofd, den nabuur tot een smaad;
Hij kan dien prijs der ziele, dat rantsoen,
Hij kreeg van Farao in handen
Hij ligt verbrand en afgehouwen.
Hij loert, en houdt zich in het donker schuil,
Hij maakte, Hij, die heerlijk is,
Hij schept in 't heilig recht behagen;
Hij slaat zijn handen aan zijn vrinden;
Hij speld' ons, dat wij t' allen tijd,
Hij sprak: "Ik zal de schoonste landen,
Hij stond weer op, ons tot gerechtigheid,
Hij strooit steeds uit aan alle zijden,
Hij verbaasde Faro's hof;
Hij vleit zich, dat de Godheid dit vergeet',
Hij wekt, met slechts te spreken,
Hij wil in gunst uw heil bewerken,
Hij will' uw offerspijz' gedenken:
Hij zal dit kwaad, dit boos bestaan,
Hij zal eeuwig in vermogen,
"Hij zal, in alle ramp en pijn,
Hij zal mijn haters we - ren,
Hij zal naar 't recht de woeste heid'nen richten,
Hij zal noch wank'len, noch bezwijken,
Hij zal op weg eens drinken uit de beken,
Hij zal uit 's vogelvangers net
Hij zal Zijn volk niet eindeloos kastijden,
Hij zelf zal aan het wereldrond
Hij zendt op aarde Zijn bevelen;
Hij ziet zijn dag, den dag zijns oordeels, komen.
Hij zocht alom, maar ach, Hij vond er geen;
Hij zocht alom, maar ach; Hij vond er geen;
Hij zoekt en Hij gedenkt het bloed,
Hij zond een heir, door niemands hand te weren,
Hij zond, in plaats van vruchtb'ren regen,
Hij, die op Gods bescherming wacht,
Hij, die Uw naam in waarheid kent,
Hij, die vol ijdelheid,
Hoe blinkt het alles door vertoning
Hoe dierbaar zijn m' Uw wonderdaân!
Hoe goddelijk en schoon
Hoe groot en schitt'rend is zijn eer,
Hoe groot is't goed, dat Gij zult geven
Hoe groot zijn, HEER, Uw werken!
Hoe groot, hoe vrees'lijk zijt G' alom,
Hoe heilig is Zijn naam!
Hoe Hij Zijn oog op hen had neergeslagen,
Hoe kleeft mijn ziel aan 't stof! Ai, zie mijn nood;
Hoe lang zal ik, door tegenheên,
Hoe lang zult Gij in gramschap zijn ontstoken?
Hoe lang, HEER, zullen dan de bozen,
Hoe lang, o God, zal in dit zwaar verdriet,
Hoe lang, o HEER der legermachten,
Hoe lang, o HEER, mijn toeverlaat,
Hoe lang, o wreedaards, zoekt gij dan
Hoe lief heb ik Uw wet! Het is mijn doel,
Hoe lief'lijk, hoe vol heilgenot,
Hoe menigmaal hebt G' ons Uw gunst betoogd,
Hoe vreeslijk groeit, o God,
Hoe wonderbaar is Uw getuigenis!
Hoe worden zij, tot ieders schrik,
Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort!
Hoe zoet zijn mij Uw redenen geweest!
Hoed mijn ziel, en red z' uit noden;
Hoewel zijn weg niets is dan ijdelheid,
Hoopt op den HEER, gij vromen;
Hoor mij, o HEER, Uw goedertierenheid
Hoor mijn gebed, mijn bang geroep, o HEER,
Hoor mijn geschrei; 'k ben uitgeteerd,
Hoor naar mijn stem en kermend smeken,
Hoor, HEER, mijn stem naar Uw goedgunstigheid,
Hoor, o HEER, verhoor mijn smeken,
"Hoort Mij," zei Ik toen,
Houd ons gemoed voor U bereid,
Houdt dan uw tong in toom;
"Houdt uw geslacht Mijn heilverbond,
Hun aanslag is verwoed en boos;
Hun drift, aan snood bedrog verbonden,
Hun hand, hoe fraai bewerkt, tast nooit iets aan,
Hun hart vergat den Opperheer,
Hun hart was boos, vervuld met slinkse streken;
Hun mond is vol van last'ren, en van liegen;
Hun mond tast zelfs den hemel aan;
Hun tafel word', o God, hun tot een strik,
Hun tong, die and'ren durfd' onteren,
Hun tongen scherpen zij als slangen;
Hun vijand heeft hen wreed verdrukt;
Hun zijt Gij goed, die goedertieren hand'len;
Hun zwaard deed hen dit land niet erven;

Over psalmboek.nl

Contact

Copyright 2019


Sponsor: Erdee Media Groep