K

'k Bekend', o HEER, aan U oprecht mijn zonden;
'k Ben afgezonderd bij den hoop
'k Ben eeuwiglijk gedachtig aan Uw woord,
'k Ben gewoon, in bange dagen,
'k Ben jong geweest, en draag nu grijze haren,
'k Ben met verschrikking aangedaan;
'k Ben, door Uwe wet te schenden,
'k Betrouw op God; Hij is mijn schild in 't strijden,
'k Betrouw op U; hoor mijn gebeden;
'k Beveel mijn geest in Uwe handen;
'k Dacht, hoe 'k God met vreugd voor dezen
'k Denk aan U, o God, in 't klagen,
'k Erken nochtans, Gij, Gij zijt heilig, HEER,
'k Haat ranken, vol van kwaad' en bitt're vrucht,
"'k Had hun haters ras
'k Had om mijn haters 't kleed gescheurd,
"'k Had u dan tot spijs
'k Heb aan dit volk, dat Mij vergat,
'k Heb and'ren al de rechten van Uw mond
"'k Heb eens gezworen bij Mijn eigen heiligheid:
"'k Heb hun hals bevrijd
'k Heb hunne rechters vrij gelaten;
'k Heb in mijn hart Uw rede weggelegd,
'k Heb lang den HEER in mijnen druk verwacht,
'k Heb mijn tranen, onder 't klagen,
'k Heb U voorwaar in 't heiligdom
'k Heb Uw geboôn, mijn God, dies meer dan goud,
'k Heb, HEER, des nachts aan Uwen naam gedacht,
'k Hef mijn ziel, o God der goden,
"'k Liet hen dies, veracht,
"'k Nam te Meriba
'k Riep tot den HEER' met luider stem;
'k Riep tot den HEER, in 't midden dier ellenden,
'k Riep tot den Oorsprong aller dingen,
'k Roep, HEER, in angst tot U gevloden,
'k Schatte mij geheel verloren;
'k Sla d' ogen naar 't gebergte heen,
'k Slijt den nacht in eenzaam waken,
'k Sloeg, eer ik werd verdrukt, het dwaalspoor in;
'k Voel de krachten mij begeven,
'k Voel door stinkend' etterzweren
'k Was als een wonder in elks ogen;
'k Wil mijn misdaân, die U tergen,
'k Wou vluchten, maar kon nergens heen,
'k Zal dan door mijn blijde galmen,
'k Zal dan gedurig bij U zijn,
'k Zal dit melden, 'k zal altijd
'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên;
'k Zal gedenken, hoe voor dezen
'k Zal in Uw goedheid mij verblijden;
'k Zal in Uwe tent verkeren,
'k Zal met mijn ganse hart Uw eer
'k Zal met vermaak naar 't kwaad niet overhellen,
'k Zal met verstand den weg betreên der vromen;
'k Zal over hem, die achterklapt, mij belgen;
'k Zal 's avonds klagen, zuchten, stenen;
"'k Zal Sions, 'k zal der armen spijs,
'k Zal tot God, mijn steenrots, spreken:
"'k Zal uit uw huis geen var, noch uit uw kooi
'k Zal Uw geboôn, die ik oprecht bemin,
'k Zal Uw gerechtigheid verheffen,
'k Zal van de deugd der milde goedheid zingen,
'k Zei: "Laat nooit mijn bitter lijden
'k Zie in rouw en ongenuchten,
Keer eind'lijk, HEER, toch we - der;
Keer weer, o God der legermachten,
Kom mij te hulp; mijn ziel, die U verbeidt,
Komt, kind'ren, hoort naar mij;
Komt, laat ons samen Isrels HEER.
Komt, luistert toe, gij Godgezinden,
Komt, maakt God met mij groot;

Over psalmboek.nl

Contact

Copyright 2019


Sponsor: Erdee Media Groep