Home Kernwoorden Psalmen Belijdenis Zingen UitlegBoeken
 
 

 
DL HC NGB

Zondagen
1142740
2152841
3162942
4173043
5183144
6193245
7203346
8213447
9223548
10233649
11243750
12253851
13263952
 
 

Heidelbergse Catechismus Zondag 34

Vraag
92
93
94
95

Vraag en antwoord 92

Vr. Hoe luidt de wet des Heeren?
Antw. God sprak al deze woorden, Ex. 20:1-17, Deut. 5:6-21: Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.
Het eerste gebod
Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.
Het tweede gebod
Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen dat boven in den hemel is, noch van hetgeen dat onder op de aarde is, noch van hetgeen dat in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde lid dergenen die Mij haten; en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen die Mij liefhebben en Mijn geboden onderhouden.
Het derde gebod
Gij zult den Naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden die Zijn Naam ijdellijk gebruikt.
Het vierde gebod
Gedenk den sabbatdag, dat gij dien heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat des HEEREN uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is; want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee, en alles wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de HEERE den sabbatdag, en heiligde denzelven.
Het vijfde gebod
Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat u de HEERE uw God geeft.
Het zesde gebod
Gij zult niet doodslaan.
Het zevende gebod
Gij zult niet echtbreken.
Het achtste gebod
Gij zult niet stelen.
Het negende gebod
Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.
Het tiende gebod
Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets dat uws naasten is.