Home Kernwoorden Psalmen Belijdenis Zingen UitlegBoeken
 
 
Algemeen
Overzichtspagina boeken
Recensies boeken
Bijbel met Uitleg
Davids soete lier
Bijbelteksten op muziek
Erik Smith - Psalmen
Psalmen beter begrijpen
Uitleg berijmde psalmen
Berijming ds. Meeuse
Studiebijbel Psalmen I
Studiebijbel Psalmen II
C.S. Lewis - de Psalmen
HSV Studiebijbel
Psalmen voor Nu
Jongerenbijbel HSV
De Nieuwe Psalmberijming
Dicht Bij Ons
 

 

C.S. Lewis - Gedachten over de Psalmen

ISBN 90-5194-242-7, Uitgeverij Van Wijnen

Inleiding

De schrijver C.S. Lewis (1898 - 1963) is een Christelijke apologeet uit Groot-Brittannie, die over de meest uiteenlopende onderwerpen heeft geschreven. Zijn boeken worden onverminderd gewaardeerd om hun frisheid en de manier waarop ze het Christelijk geloof verdedigen in de huidige maatschappij. Bekende werken van hem zijn de serie boeken over Narnia, Onversneden Christendom en Brieven uit de hel. C.S. Lewis heeft ook een boekje geschreven over de Psalmen, getiteld Gedachten over de Psalmen. Dit werk is niet bedoeld als een uitputtende exegese van de Psalmen, maar behandelt een aantal van de belangrijke grondthema's die voorkomen in het Psalmenboek. Zo komen onder andere de thema's Lofprijzing, de Dood en de Natuur langs.

Origineel

C.S. Lewis benadering van deze thema's is beslist origineel te noemen. In zijn inleiding meldt hij dat hij “... geen hebraicus, geen literair-historisch bijbelcriticus, geen oudheidkundige, geen archeoloog” is. Hij wil schrijven als “...amateur voor de amateurs”.

Zijn houding tegenover de Psalmen is wat vrijer dan we misschien gewend zijn. Wat betreft het auteurschap van de Psalmen schrijft hij: “Van sommige wordt geloof ik wel aangenomen dat ze uit de tijd van koning David stammen; ik meen dat er geleerden zijn die de mogelijkheid openlaten dat Psalm 18 van David zelf is.” Aan de andere kant stelt hij dat het lezen van de Psalmen als puur literatuur gelijk staat aan “Burke lezen zonder belangstelling voor politiek”.

Ook is voor Lewis niet alles navolgenswaardig in de psalmen, vooral daar waar het gaat om de verzoeken om recht en vergelding. Maar tegelijkertijd doet hij veel moeite om te verklaren waarom de psalmdichters schreven wát ze schreven. Daarbij gaat hij wel veel meer uit van de menselijke kant, en blijft de inspiratie onderbelicht.

Hieronder zal ik elk thema dat Lewis bespreekt kort behandelen.

Gods oordeel in de Psalmen

Lewis legt de vinger bij de schijnbare eigenaardigheid in de Psalmen dat de dichters met vreugde lijken uit te zien naar Gods oordeel, daar zelfs om bidden, terwijl wij vooral met huiver en ontzag daarover spreken omdat we ons bewust zijn van onze onvolkomenheid. Volgens Lewis komt dit omdat de joodse dichters zich een ander soort rechtszaak voorstellen dan wij. Denkend aan Gods oordeel zien we onszelf als de schuldigen, als de beklaagden. De psalmdichter ziet zichzelf als de aanklager. Hem is onrecht aangedaan en hij verlangt van God als Rechter hulp.

“Wat ons in het christelijke beeld onrustig maakt, is de oneindige zuiverheid van de maatstaf die voor ons handelen wordt aangelegd“, schrijft Lewis. Daarom moeten we onze hoop vestigen op de genade van Christus. “Maar door het joodse beeld worden we er nog eens scherp aan herinnerd dat we misschien niet alleen naar goddelijke maatstaven tekort schieten (dat spreekt vanzelf), maar ook naar zeer menselijke maatstaven.”

Daarom stelt Lewis dat de psalmen ons oproepen om voor de ellendigen en verdrukten op te komen. Maar dan stellen we ons op als verdedigers in de rechtszaak, terwijl de psalmdichters juist vaak voor zichzelf om recht roepen. Lewis worstelt hiermee. Hij schrijft: “Kennelijk is hij er heel zeker van dat hijzelf schone handen heeft. Nooit heeft hij anderen al het verschrikkelijks aangedaan dat zij hém hebben aangedaan.” Vervolgens stelt hij dat dit kan leiden tot die “typisch joodse gevangenis van eigendunk waartegen onze Heer zo dikwijls verschrikkelijk uitvoer”.

Hoewel hij dit tot op zekere hoogte oplost door een onderscheid te maken tussen het 'rechtvaardig' zijn en het 'recht aan je kant hebben' (Het tweede kan gelden voor goede en slechte mensen, het eerste geldt ten diepste voor niemand), blijft hij moeite houden met een vers als Psalm 7 vers 9 (richt mij, HEERE, naar mijn gerechtigheid, en naar mijn oprechtigheid, [die] bij mij is). Lewis ziet dit als een voorbeeld van “noodlottige verwarring tussen het recht aan je zijde hebben en rechtvaardig zijn”.

De vloekpsalmen

Lewis beschrijft de vloekpsalmen als psalmen met een “geest van haat die in ons gezicht slaat als de hitte uit een open kachel”. Hij noemt in dit verband onder andere de psalmen 109, 137 en 23. Over de laatstgenoemde zegt hij: “Dit is misschien minder diabolisch dan de eerder aangehaalde passages; maar het kleingeestige en platvloerse is, vooral in zo'n context, bijna niet te harden”. Lewis is er dus heel duidelijk in dat hij vanbinnen een afkeer voelt als hij deze dingen leest.

De kracht van Lewis is echter dat hij, terwijl hij zijn negatieve gevoelens zonder schroom benoemt, vervolgens op zoek gaat naar antwoorden. Voor bijbelgetrouwe christenen kan het een risico zijn dat ze bepaalde gevoelens onderdrukken omdat die als “niet behoorlijk” worden gezien. Er is dan ook geen mogelijkheid om eerlijk naar antwoorden te zoeken. De manier waarop Lewis werkt kan zeker vragen oproepen, maar is tegelijkertijd eerlijk en transparant.

“Eén manier om met deze schrikwekkende of (durven we het te zeggen?) verachtelijke psalmen om te gaan, is ze maar links te laten liggen” vervolgt Lewis. Maar dat vindt hij tekort doen aan de Heilige Schrift, waarvan hij gelooft dat die “tot ons onderricht” is geschreven. Ook merkt hij terecht op dat juist Jezus veel heeft geciteerd uit de Psalmen.

In zijn zoektocht naar een antwoord legt Lewis uit dat de oude Israëlieten hun haatgevoelens niet vermomden zoals we dat tegenwoordig gewend zijn. In dat opzicht zijn de psalmen eerlijker dan wij, en zijn wij in onze afschuw van deze vloekpsalmen schijnheilig omdat dezelfde gevoelens in ons hart leven. Maar dit is niet het belangrijkste punt dat Lewis wil maken. Hij verlegt zijn focus naar de mensen die de psalmdichters tot woede hebben gebracht. De haat in deze psalmen is “het natuurlijke gevolg” van het kwetsen van een menselijk wezen. Tenminste, zolang dit gevolg niet wordt uitgewist door Gods genade, of door andere zaken wordt onderdrukt. “Het zou bar simplistisch zijn, de vervloekingen in de psalmen slechts te lezen met een diepe afschuw van de liefdeloosheid die de schrijvers hier laten zien. Ze zijn inderdaad ‘des duivels’. Maar we moeten ook bedenken door wie ze zo geworden zijn,” concludeert hij.

Toch blijft Lewis zitten met het feit dat Leviticus 19:17a zegt: “Gij zult uw broeder in uw hart niet haten”. En Spreuken 24:17 gaat nog verder: “Verblijd u niet, als uw vijand valt; en als hij nederstruikelt, laat uw hart zich niet verheugen”. Ook het argument dat de oude Israëlieten de volle openbaring van Christus niet kenden, houdt voor Lewis geen steek. Want met de beperkte kennis van de geschriften uit die tijd kent hij geen heidense teksten die “dit soort uitbarstingen of vloedgolven van haat” hebben, hooguit wellust en hardvochtigheid. Lewis stelt dan ook: “Op het eerste gezicht waren de joden veel wraakgieriger en venijniger dan de heidenen”.

Ook door dit probleem laat Lewis zich niet ontmoedigen. Hij noemt het voorbeeld van een man van “gemiddelde zinnelijkheid”, iemand die af en toe ontrouw is aan zijn vrouw, soms dronken, op het randje van eerlijk zakendoen. Zo iemand wordt lager beoordeeld dan iemand die vervuld is van een hoger doel, waarvoor hij alles overheeft. En “het zijn de grote mannen en niet de kleintjes uit wie zich meedogenloze fanatici ontwikkelen”. De (relatieve) afwezigheid van wraakzucht bij de heidenen kan wel eens betekenen dat ze dus te weinig vervuld zijn van een hoger ideaal, en een minder helder onderscheid maken tussen wat goed en kwaad is.

“Wraakzucht zou (hoewel slecht op zichzelf) toch een goed symptoom kunnen zijn. Het is een zonde; maar er blijkt tenminste uit dat de zondaar in kwestie niet tot het niveau gezonken is waar de verleiding tot die zonde niet meer bestaat”. Die “verleiding” verdwijnt immers als goed en kwaad niet meer worden onderscheiden. Het is vooral het kwaad dat de psalmdichters willen bestrijden, en waar ze zo boos om zijn.

Lewis waarschuwt echter voor de valkuil dat we gaan denken dat onze kwalijke hartstochten heilig zijn, en hij stelt dat de psalmdichters hierin grotere zondaars waren dan de heidenen. “Wanneer het Bovennatuurlijke een mensenziel binnenkomt, schept het zowel ten goede als ten kwade nieuwe mogelijkheden. ... De ene afslag leidt tot heiligheid, ... de andere naar geestelijke hoogmoed”.

Het is duidelijk dat Lewis de vloeken in de psalmen wél wil leren begrijpen, maar niet als navolgenswaardig beschouwt. Hij ziet ze uiteindelijk als enigszins begrijpelijke uitwassen die laten zien dat de dichters ten diepste uit het juiste hout waren gesneden.

God Zelf heeft geen welgevallen aan de dood van de goddeloze, maar haat tegelijk de zonde. Terecht stelt Lewis dat de zonde bij God dezelfde weerstand oproept die ook de psalmdichters laten zien, en daardoor staan ze dichter bij de waarheid dan de hedendaagse mens met zijn moderne opvattingen.

De dood in de Psalmen

In hoeverre speelt de hoop van het toekomstige leven ná dit leven een rol in de Psalmen? Voor C.S. Lewis is het leven na de dood een thema dat in de tijd van de Psalmdichters nauwelijks bestond, tenminste, voor de Israëliet. Hij legt er de vinger bij dat voor “hel” in onze vertaling de grondtekst het woord “Sjeool” heeft, en dat dit woord niet persé hetzelfde betekent als waar wij aan denken wanneer we het woord hel lezen. Sjeool is, in de woorden van Lewis, “de toestand van alle doden, goeden zowel als bozen”.

De Psalmen wekken voor hem de indruk dat de dood het einde van het leven is, dat daarmee het eindpunt is bereikt. Hij toont dit aan met een aantal psalmen, bijvoorbeeld Psalm 89:47: “Gedenk van hoedanige eeuw ik ben; waarom zoudt Gij aller mensenkinderen tevergeefs geschapen hebben?”, of Psalm 6:5: “Want in den dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf?”

Een Psalmvers als 116:2 (“De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen”) ziet Lewis niet als proto-christelijk, maar zou hij eerder vertalen met “ik was op de rand van het graf”.

Omdat in het Nieuwe Testament het leven na de dood wel degelijk een rol speelde in de geloofsbeleving (behalve bij de Sadduceeën, die volgens hem bij “de oude zienswijze” bleven), stelt Lewis de vraag waarom God juist dít aanvankelijk niet openbaarde aan Zijn volk. Hijzelf vindt die vraag niet zo vreemd, omdat hij de indruk krijgt dat God niet wil dat Israël in de voetsporen van de - op het hiernamaals gerichte - Egyptenaren treedt. “Kan een mens ooit teveel met zijn eeuwige bestemming bezig zijn?” vraagt Lewis, en hij antwoordt: “In een bepaald opzicht zou ik zeggen, hoe paradoxaal het ook klinken mag: ja”.

Lewis legt vervolgens een belangrijk verband tussen het vrezen voor de eeuwige lotsbestemming en het dienen van God. Wanneer de eeuwigheid voor ons het belangrijkste is, dienen we God omdat we daarmee onze bestemming veilig stellen. God is niet meer het doel, maar een middel geworden. Tegelijk verliest de hemel of de hel zijn zeggingskracht wanneer die niet in de eerste plaats de aan- of afwezigheid van God betekent. Het worden dan hoogst persoonlijke fantasieën.

Terug naar de tijd van de psalmdichters. C.S. Lewis ziet dat de oude Israëliet in plaats van het verlangen naar de hemel, het verlangen naar toekomstige vrede en voorspoed kende. Toch is daar voor hem niet alles mee te verklaren, want juist aan voorspoed heeft het Israël nog al eens ontbroken door de straffen en nederlagen. Voorspoed was geen vanzelfsprekendheid. “Zulke ervaringen zouden verwoestend geweest zijn voor een religie die slechts draaide om het vooruitzicht van vrede en overvloed”, maar dat gebeurde niet.

De liefelijkheid des Heeren

C.S. Lewis ziet dat er een verschil ligt in de manier waarop wij onze godsdienst vormgeven, en zoals dat in de Psalmen wordt omschreven, en bijvoorbeeld in de geschiedenis van David die danste voor de Ark. Op dat plezier in de godsdienst mogen we volgens Lewis wel eens jaloers zijn.

Voor Lewis wordt dit verschil onder andere verklaard door het feit dat de Joden destijds veel minder onderscheid maakten tussen het verrichten van de godsdienstige handelingen en “het aanschouwen van de liefelijkheid van de HEERE”.

“Zodra het maken van onderscheid tussen rite en het schouwen van God mogelijk wordt, ontstaat het gevaar dat de rite als vervanging en rivaal van God gaat dienen”, vervolgt hij. Het kan dan gebeuren dat de offers bijvoorbeeld alleen nog worden gebracht omdat we het idee hebben dat we daarmee God tevreden stellen. Maar blijkbaar was dit al een probleem in de tijd van de Psalmen, want in Psalm 50 waarschuwt God daarvoor.

Tenslotte legt Lewis de vinger bij de vreugde en het genoegen in God dat zo rijk in de Psalmen voorkomt. Ook al hadden de dichters “minder redenen dan wij om God lief te hebben”, toch getuigen ze van een verlangen naar Hem, naar Zijn aanwezigheid, “dat alleen de beste christenen of alleen christenen in hun beste momenten” hebben. Psalm 42 beschrijft het verlangen naar Jeruzalem en het verschijnen voor het aangezicht van God als “fysieke dorst”. Sterker nog, “Eén dag van dat ‘goede’ is beter dan een heel leven elders”.

Voor Lewis heeft de omschrijving “liefde tot God” een te sterk geestelijke lading, en zouden we wellicht beter kunnen zeggen “zin in God” (ook al “stuit het sommige mensen tegen de borst”). De Psalmen laten iets zien van een natuurlijk verlangen, als een lichamelijk verlangen naar God.

Wij kennen dat niet meer zo uitbundig, ook al ziet Lewis nog wel groepen waarin het wat vrolijker toegaat. Hij noemt een andere, belangrijke reden waarom de christelijke eredienst soberder (en somberder) is: “Iedere christen weet iets wat de joden niet wisten over ‘de prijs voor hun leven’”. Het christelijk geloof heeft een tragische diepte gekregen, “onze vreugde moet een soort vreugde zijn die daarmee kan samengaan”.

Maar uit het blijde en vreugdevolle in de Psalmen komt Lewis uiteindelijk meer te weten “over de God die zij en wij aanbidden”.

Zoeter dan honing

Hoe kan het dat Psalm 19 zegt dat Gods wet zoeter is dan honing? Wat is er ‘verrukkelijk’ aan geboden als “gij zult niet stelen” of “gij zult niet echtbreken”? Voor Lewis was dit lang een mysterie. Want hoe vaak is het gehoorzamen van de geboden niet een strijd, en kan je de geboden niet beter vergelijken met een tandartsboor in plaats van met iets zoet en verblijdends?

Dat de Psalmdichters met de vreugde in de wet het oog hebben op het tevreden geweten dat iemand heeft wanneer hij de wet heeft nageleefd, wijst Lewis van de hand: “Het probleem is dat de psalmdichters naar mijn idee nooit iets dergelijks zeggen”.

Is het dan misschien het overpeinzen en bestuderen van de wet, waar je net zo van kan houden als van natuurkunde of geschiedenis? Lewis komt daarbij uit bij de Farizeeën voor wie het bestuderen van de wet haast een obsessie was geworden en die de wetten en regels steeds complexer maakten. “Eenmaal verstrikt in dit vreselijk net vervalt de één in eigendunk en de ander in een angstige, verkrampte houding”. Paulus werd onder andere daarom zich juist bewust van Christus als Bevrijder van de wet. Maar voor Lewis tonen de Psalmen juist het goede, en is de Farizeïsche vorm een “ontaarde” vorm.

Vervolgens komt Lewis uit bij Psalm 119. Een psalm die geen “spontane hartekreet” is, maar “een patroon... als een borduurwerk... uit liefde voor het onderwerp en uit genoegen in een beheerst, ontspannen vakmanschap”. De Psalm wijst volgens hem naar een “behagen in Orde”. “De Orde van Gods gedachten, zoals belichaamd in Gods wet, is schoon. Wat zou een mens beter kunnen doen dan proberen die orde zoveel mogelijk in het dagelijks leven te imiteren?”

Naast Orde is de wet ook waarachtig of waarheid. Voor de joodse dichters waren Gods leefregels de enige ‘echte’ of ‘geldige’, in tegenstelling tot de leefregels van de heidenen om hen heen, ze zijn “gefundeerd in het diepste wezen der dingen en het diepste wezen van God”.

Lewis moet dus niets hebben van de stelling dat de wet alleen maar goed is omdat God die gebiedt; en als God had geboden dat we elkaar moesten haten, dan was ‘haten’ dus goed geweest. Maar God “gebiedt het goede omdat het goed is, en omdat Hij goed is”.

De psalmdichters verheugen zich over de wet “als een wandelaar die blij is weer een stevig pad onder de voeten te voelen”. “Want,” vervolgt Lewis, “er waren andere paden die zonder ‘waarheid’ waren”.

Hierbij denkt hij aan de heidenvolken rond Israël met hun verleidelijke religies, die tegelijk ook zo gruwelijk konden zijn. Vergeleken met die religies zag de oprechte Jood zijn eigen wet in “buitengewoon stralend licht... als bronwater, als frisse lucht wanneer je uit de gevangenis komt, als gezond verstand na een nachtmerrie”.

Lewis onderstreept dit door af te sluiten met Psalm 19, die de bewondering voor de natuur koppelt aan de wet - waardoor de eigenschappen van de zon ook de eigenschappen van de wet worden: “... een al-doordringend en al-ontdekkend zonlicht”. Lewis ziet dat ook als reden dat de dichter vrij is van zelfgenoegzaamheid, en daarom bidt om verlossing van de verborgen afdwalingen.

Misschien, zo sluit hij af, gaan we ook als Christenen weer leren de “schone lucht en zoete redelijkheid van de christelijke ethiek te waarderen die we in christelijker tijden misschien nog vanzelfsprekend vonden”.

Heulen met de vijand

Psalm 139:21-22 zegt: “Zou ik niet haten, HEERE! die U haten? en verdriet hebben in degenen, die tegen U opstaan? Ik haat hen met volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij.”

Dit “plichtsgetrouwe haten” is volgens Lewis een riskante onderneming, omdat het tot Farizeïsme kan leiden, en hij meent dat dit in de Psalmen ook al aan het werk is. Maar dit is voor hem geen reden om hier niet over na te willen denken, omdat er een reëel probleem ligt en “een oplossing lijkt mij nog helemaal niet zo duidelijk.”

Lewis wijst erop dat in onze maatschappij mensen die overduidelijk “de smerigste streken” uithalen, juist zo populair kunnen zijn. Maar niet alleen in de maatschappij is dit een probleem, ook persoonlijk. “Hoe gedraag je je in aanwezigheid van zeer slechte mensen (die tegelijk machtig en welvarend zijn)? Loop je dan mee om er zelf een voordeeltje uit te kunnen halen? Of omdat je zo iemand wel interessant vindt? Want “het geeft een gevoel van voornaamheid wanneer een groot hoewel slecht man jou op straat herkent”.

Dergelijke mensen kunnen we beter mijden, vindt Lewis, niet omdat we 'te goed' voor hen zijn, want in zeker opzicht zijn we juist niet goed genoeg vanwege de verleidingen die komen wanneer je met zulke mensen omgaat. “De Psalmdichters hadden niet helemaal ongelijk toen ze een goed mens omschreven als iemand 'die niet zit in de kring der spotters'”. En juist de zonden van de tong worden door de Psalmen zo vaak genoemd.

Als we tòch in zo'n kring terecht komen, dan is het vaak beter om te zwijgen. “Het verschaft ons minder plezier dan er bij een krachtdadiger optreden op de loer zou liggen”. En ook een verloren discussie hoeft geen ramp te betekenen: “Soms blijkt jaren na dato dat uitgerekend degene die jou vloerde met zijn argumenten door je woorden is beïnvloed”.

De natuur

De relatie tussen God als Schepper en de schepping was voor de Israëliet duidelijk gedefinieerd. Allereerst waren ze verschillend, de Eén had immers de ander gemaakt. Voor ons klinkt dat heel gewoon, maar in de oudheid was een 'ondubbelzinnige scheppingsleer verrassend zeldzaam'. Meestal staat de schepping absoluut niet centraal in de heidense religies. Plato is een uitzondering (en volgens Lewis werd hij hierin door God geleid).

Het feit dat voor de joden God en de natuur gescheiden waren, betekende ook de ontgoddelijking van de natuur. “Dat dit een heel moeilijke gedachtensprong was, ...is voor ons niet meer makkelijk na te voelen”, want de Europeaan ervaart al duizend jaar geen verleiding meer om de maan als god te aanbidden. Maar de natuur wordt “tegelijk een aanwijzing, een symbool, een manifestatie van het Goddelijke”. Doe je aan natuur-aanbidding, dan “leg je de natuur het zwijgen op zoals wanneer een kind zo onder de indruk is van het uniform van de postbode dat hij vergeet de brieven in ontvangst te nemen”.

De waardering van de natuur door de joden betrof dus de natuur als werk van God; en deze waardering ging verder dan alleen die onderdelen van de natuur die de joodse boeren als nuttig ervoeren. Zie bijvoorbeeld Psalm 104, waarin dieren als klipdassen, leeuwen en zeedieren (Lewis ziet de Leviathan als walvis) worden bezongen. Voor de Jood uit die dagen leefden de dieren evengoed als hij uit de hand van God.

Lewis maakt vervolgens een intrigerend uitstapje naar de Farao Echnaton, die in Egypte tevergeefs het monotheïsme wilde invoeren. Zijn 'Loflied aan de zon' vertoont volgens Lewis een gelijkenis met de psalmen als het gaat om de manier waarop de natuur wordt bezongen. Lewis is zo onder de indruk van deze Farao, dat hij zelfs afsluit met: “Wie zou ondertussen dit onderwerp kunnen afsluiten zonder een gebed dat deze eenzame koning uit de oudheid ... reeds lang de waarheid ziet en zich erin verheugen mag - de waarheid die de door hem opgevangen glimp ervan zo ver overtreft?”

Lofprijzing

Dit hoofdstuk wordt door John Piper aangehaald in zijn boek Desiring God (Verlangen naar God), omdat het voor hem een belangrijke kerngedachte verwoordde. Want waarom prijzen we God? Waarom wil God dat we Hem prijzen? Is hier geen sprake van “heidense koehandel” waarbij we God loven om iets van Hem gedaan te krijgen?

Of heeft God misschien 'recht' op lofprijzing? Voor Lewis is 'recht' een ongelukkig woord, maar hij stelt vervolgens de vraag wat wordt bedoeld wanneer iemand zegt dat een bepaald kunstwerk 'bewonderingswaardig' is. Volgens hem wordt daarmee bedoeld dat bewondering voor het kunstwerk de enige juiste, passende reactie is. Niet bewonderen zou betekenen dat we “dom en ongevoelig” zijn.

Lewis stelt dat op dezelfde manier God “vraagt” om lofprijzing. “Hem bewonderen is eigenlijk hetzelfde als wakker zijn, in de werkelijkheid staan”.

Toch is het dit niet alleen. Want God geeft ook bevel tot lofprijzing, in bijvoorbeeld de offerdienst. Maar dit is niet omdat God de lofprijzing voor Zichzelf nodig heeft, maar omdat Hij Zichzelf laat zien en de mensen Hem ervaren wanneer ze met elkaar Hem prijzen: “Zelfs in het jodendom was de essentie van het offer niet dat de mensen een stier of een geit aan God schonken, maar dat God daardoor Zichzelf aan mensen gaf".

Het belangrijkste kenmerk van de lofprijzing was Lewis lange tijd ontgaan: “Ik merkte nooit dat ieder genot en iedere vreugde als vanzelf uitmondt in lofprijzing". Lewis ziet dat de wereld “gonst” van de lofprijzing, over het weer, over eten, over acteurs. “Loftuitingen zijn bijna zoiets als hoorbaar geworden geestelijke gezondheid”, en iemand die vol lof ergens over is, “zal spontaan proberen anderen daarin mee te krijgen”. Dus wanneer een psalmdichter oproept om God te loven, doet hij hetzelfde als wat iedereen doet met de dingen waar hij veel om geeft.

Lofprijzing ziet Lewis als de “voltooiing van de vreugde - haar officiële bekroning”. En in het verlengde van deze voltooide vreugde ziet hij de hemel, waar de lofprijzing de uiteindelijke vorm vindt. “Dit wil niet zeggen - al dringt de mistroostige gedachte zich wel eens op - dat het zoiets is als ‘in de kerk zitten’”, want onze eredienst is komt niet verder dan een godsdienst-“oefening”. Om te zien waar het wél om gaat “moeten we ons voorstellen een volmaakte liefde voor God te koesteren - dronken te zijn van, doorweekt te zijn met, opgelost te zijn in de vreugde die niet in onszelf opgesloten zit”.

Lewis haalt in dit verband de Schotse catechismus aan, die zegt dat het voornaamste doel van de mens is “God te verheerlijken en zich eeuwig in Hem te verlustigen”.

Toch sluit Lewis niet uit dat er een zekere mate van koehandel in de Psalmen te vinden is (“doe dit voor mij en ik zal U prijzen”), en hij beschouwt dat als een “onzuivere vlam van het altaar” die niet de essentie is, en waar hij zich absoluut niet boven wil verheffen; daarvoor kent hij zijn eigen hart te goed.

Dubbele bodems

Zit er een profetische ‘laag’ in de psalmen, die heenwijst naar Christus? Wat wisten de psalmdichters van de christelijke heilsfeiten? In dit hoofdstuk behandelt Lewis de ‘dubbele bodems’ meer in algemene zin. In de hoofdstukken daarna betrekt hij de Bijbel en meer in het bijzonder de Psalmen erbij.

Lewis noemt drie manieren waarop iemand een voorspelling kan doen die daadwerkelijk uitkomt. Allereerst is er de profeet die een precieze, gerichte voorspelling doet, en die tegen alle waarschijnlijkheid in ook daadwerkelijk uitkomt. Dan is er de tweede man, die zonder enige pretentie een fantasieverhaal opstelt dat toevallig nog waar blijkt te zijn ook. In dezelfde categorie valt de gokker die, als hij maar lang genoeg meedoet met de loterij, ooit een keer zal winnen.

De derde variant ziet Lewis als de meest voor de hand liggende. Hierbij heeft de schrijver zo’n diep inzicht in de werkelijkheid, dat datgene wat hij beredeneert als meest waarschijnlijke ook daadwerkelijk zo blijkt te zijn. Op die manier interpreteert Lewis ook het werk van de heidense wijsgeren (in dit geval Plato), die dingen hebben gezegd die verrassend overeen kunnen komen met kerngedachten uit het christendom. Of zelfs elementen uit het heidendom (goden die worden gedood en weer tot leven komen) kunnen herkenbaar zijn. De positieve manier waarop Lewis kijkt naar het heidendom is kenmerkend voor hem.

De Schrift

Voor reformatorische, bijbelgetrouwe gelovigen is dit hoofdstuk misschien wel het meest intrigerende en lastige uit het hele boek. Lewis' omgang met de Bijbel is niet direct in een hokje te plaatsen.

Dat Lewis het boek Job niet als historisch beschouwt, is misschien nog te begrijpen. Maar, hij vervolgt: “Ik heb geen moeite met, bijvoorbeeld, de opvatting van geleerden die zeggen dat het scheppingsverhaal in het boek Genesis afgeleid is van oudere Semitische verhalen, die pagaan en mythisch waren”. Lewis benadrukt dat dit “afgeleid zijn” een proces is waar mensen invloed uitoefenen, en waar mensen aan het werk zijn, daar is God de Bestuurder. Daarom zegt hij vervolgens: “Iets dat puur natuurlijk was - het soort mythe dat je bij de meeste volken aantreft - is dan dus door God boven zichzelf uitgetild, door Hem geschikt gemaakt en door Hem gedwongen om een doel te dienen dat het nooit uit zichzelf gediend zou hebben”.

Lewis' visie op de inspiratie is dat de mensen op zoek zijn naar de waarheid, en dat ze die stukje bij beetje ontdekken - naar de mate van het licht dat God hen geeft. Hierdoor “blijft het menselijke van de grondstof zichtbaar; naïviteit, vergissingen, tegenstrijdigheden en zelfs (zoals in de vloekpsalmen) verdorvenheid zijn er niet uit verwijderd”. De bijbeltekst is daarom op zichzelf niet het Woord van God, maar het voertuig van Gods Woord; aldus Lewis. Voor ons als beter geïnformeerde lezers gaat het om de strekking en de boodschap van de tekst.

Lewis erkent dat deze manier van verwerking in mensenogen maar een “krakkemikkig voertuig” is. Waarom geen helder licht op een systematische waarheid, “zoals de tafels van vermenigvuldiging”? Hij noemt in dit verband ook de woorden van Jezus, die niet door Hemzelf zijn opgeschreven, maar door anderen; en dan ook nog eens in een bepaalde context, zodat het niet mogelijk is om ze “tot een systeem te herleiden”. Volgens Lewis zijn de pogingen om Jezus' leer te schematiseren, te vergelijken met het inblikken van zonlicht.

Uiteindelijk buigt Lewis voor het feit dat God dit zo heeft willen openbaren, en niet anders. Hij erkent dat, wanneer de Schrift zou zijn geschreven volgens de manier die hijzelf het beste had gevonden, het resultaat wel eens waardeloos had kunnen zijn. Want de onvolmaaktheid die Lewis meent te zien in de bijbeltekst, dringt hem ertoe om niet de letter van de tekst te volgen, maar om in de Persoon van Jezus te geloven. Ook de moeite die Lewis heeft met de betoogtrant van Paulus bewijst hem dat Paulus een gewoon mens was - in wiens leven Christus wel heel duidelijk aan het werk was. Wat betreft de vloekpsalmen zegt Lewis: “De schaduw heeft mij (althans mijn hart) wat meer van het licht doen zien”.

Lewis ziet ook een parallel in de manier waarop hij God ziet werken door de menselijke teksten heen, en het feit van Christus' menswording. In beide gevallen gebruikt God menselijk ‘materiaal’ om Zich te openbaren. Iets verder doorgetrokken ziet hij in hetzelfde vlak Jezus' verwijzingen naar het Oude Testament, bijvoorbeeld in het gesprek met de Emmaüsgangers. Voor Lewis is het Oude Testament niet zozeer profetisch, maar is het juist het gebruik van Jezus dat de oudtestamentische tekst een nieuwe, diepere betekenis geeft.

Dubbele bodems in de Psalmen

Dat gebruik van het Oude Testament ziet Lewis als een gerechtvaardigd allegorisch gebruik. Hij waarschuwt er voor dat niet alle allegorieën die we zouden kunnen bedenken even waardevol zijn, en we moeten goed in de gaten houden dat ook wij kinderen van onze eigen tijd zijn. Allegorieën die wij heel aannemelijk zouden vinden, zijn voor toekomstige generaties wellicht volstrekt onacceptabel.

Lewis geeft bijzondere aandacht aan de manier waarop het Nieuwe Testament het Oude interpreteert. Hij doet dit aan de hand van de Psalmen die in zijn (anglicaanse) liturgie worden gebruikt bij de verschillende momenten in het kerkelijk jaar. Ook nu ziet hij de Psalmen niet zozeer als profetisch, maar legt de kerk een nieuwe, rijkere betekenis in de oude tekst en geeft ze zo een dubbele bodem. Tegelijk ziet hij in de Psalmen die horen bij de liturgie van bijvoorbeeld het kerstfeest heenwijzingen naar Christus die soms rijker zijn dan de meeste kerstliederen doen vermoeden, de Psalmen onderstrepen meer het koningschap, het heersen van de Messias.

Het is boeiend om te zien dat Lewis al verder lezend steeds meer van Christus ontdekt in de Psalmen, ook in bijvoorbeeld Psalm 40. In vers 12 staat daar: “mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen”. Lewis zegt hierover: “Maar ook hier klinkt voor ons de stem van Christus; want we hebben geleerd dat Hij die zonder zonde was ter wille van ons tot zonde werd, dat Hij tot de bodem ging van het zwaarste lijden”.

Een beetje ambivalent is hij als het gaat om het Hooglied. Aan de ene kant moet hij soms “glimlachen of cynisch grijnzen” als hij uitleggers ziet allegoriseren, maar uiteindelijk ziet hij wel degelijk de lijn van de huwelijksgemeenschap naar het leven met God. Hij zegt dan: “De manier van allegoriseren die aanvankelijk zo gezocht leek, bleek, wanneer je er eens flink aan trok, diepe wortels in de geschiedenis van de godsdienst te hebben”.

Uiteindelijk voelt Lewis zich zelfs zo vrij om de kleine kinderen uit Psalm 137 te allegoriseren tot de zonden die hij in zijn eigen leven ziet, en die zich aan hem voor kunnen doen als “schattige kleuters”. En dan vindt hij het gruwelijke einde van Psalm 137 nog niet zo vreemd.

Conclusie

Wat moeten we nu van Lewis' commentaar op de Psalmen denken? Allereerst dat Lewis een goed schrijver is, maar zeker niet in de eerste plaats een goed theoloog. Dus ben je op zoek naar een gedegen exegese van bepaalde Psalmen, dan is dit niet het juiste boek.

Het eerste voordeel van zijn aanpak is dat hij de vragen stelt die we allemaal zouden willen stellen, als we dat tenminste durfden. In dit boek zie je duidelijk hoe hij als gelovig mens oprecht worstelt met de bijbeltekst.

Het tweede voordeel is dat, doordat hij soms wat onorthodox naar de tekst kijkt, er nieuwe dingen uit weet te halen. Hij heeft oog voor dingen die ons inmiddels ontgaan, omdat wij naar andere dingen kijken. Denk bijvoorbeeld aan zijn opmerkingen over de rol van de dood en het leven na de dood in de Psalmen, waardoor we meer leren over de échte reden om God te dienen.

Zijn omgang met de Schrift als geïnspireerd Woord van God kan vervreemding oproepen. Tegelijk kon ik me niet aan de indruk onttrekken, dat, wanneer Lewis nog 50 jaar langer had geleefd, hij door ervaring steeds dichter bij de orthodoxe inspiratieleer terecht zou zijn gekomen. Het is bijna vermakelijk om te zien dat hij heel vaak zegt dat de Psalmen nogal eens dingen bevatten die puur menselijk zijn, zondige dingen, maar hij uiteindelijk ook díé dingen uitstekend kan verklaren. Neem bijvoorbeeld zijn aanvankelijke veroordeling van de vloekpsalmen; uiteindelijk zegt hij “je kunt immers ook aan hun ergste vervloekingen nog zien hoe deze oude dichters in zeker opzicht nabij God waren”. De vervloekingen zijn voor hem dan een kenmerk van het ware! Overal proef je dat hij formeel van mening is dat de Psalmen veel menselijks bevatten, maar in de praktijk doet hij nóg beter zijn best om er lessen uit te trekken dan veel behoudende predikanten in onze dagen.

Persoonlijk denk ik dat het Oude Testament op een veel directere manier profetisch spreekt (over Christus) dan Lewis aanneemt, maar zijn visie is wel een waardevolle aanvulling, namelijk dat bepaalde patronen in het Oude Testament die niet direct een geestelijke lading hadden toen ze werden opgeschreven, wel als een soort gelijkenis kunnen worden gebruikt voor hogere, geestelijke zaken.