Home Kernwoorden Psalmen Belijdenis Zingen UitlegBoeken
 
 

 
1265176101126
2275277102127
3285378103128
4295479104129
5305580105130
6315681106131
7325782107132
8335883108133
9345984109134
10356085110135
11366186111136
12376287112137
13386388113138
14396489114139
15406590115140
16416691116141
17426792117142
18436893118143
19446994119144
20457095120145
21467196121146
22477297122147
23487398123148
24497499124149
255075100125150
 
 

Psalm 71

Vers 1
'k Betrouw op U; hoor mijn gebeden;
Dat mij geen schaamt', o HEER!
In eeuwigheid verneêr';
Red mij door Uw gerechtigheden;
Bevrijd mij; neig Uw oren;
Verlos mij; wil mij horen. 

Vers 2
Wees mij een rots, om in te wonen;
Een schuilplaats, waar mijn hart
Steeds toevlucht vind' in smart.
Uw hoog bevel zal blijkbaar tonen,
Dat Gij, o groot' Ontfermer,
Mijn burcht zijt en beschermer. 

Vers 3
Bevrijd mij van 't geweld des snoden,
Die 't heilig recht verkracht;
Wiens trotsheid mij veracht.
Ik wacht op U, o God der goden,
Op Wien ik vast vertrouwde,
Van dat ik 't licht aanschouwde. 

Vers 4
Zo Gij, van dat ik werd geboren,
Ja, van mijn eerst begin,
Mij niet, uit teed're min,
Hadt ondersteund, 'k waar' lang verloren;
Dies doe ik, in gezangen,
U steeds mijn lof ontvangen. 

Vers 5
'k Was als een wonder in elks ogen;
Doch Gij, mijn toevlucht, Gij
Stondt mij met sterkte bij;
Laat dan mijn mond Uw naam verhogen,
En al mijn levensdagen
Van Uwen roem gewagen. 

Vers 6
Verwerp mij niet in hoger jaren;
Laat bij den ouderdom,
Dien 'k in Uw gunst beklom,
Uw voorzorg over mij niet varen;
Laat met de kracht van 't leven,
Uw hulp mij niet begeven. 

Vers 7
Hen, die op mijne ziele loeren,
Hoort men, in hunnen raad,
Uit onverzoenb'ren haat,
Een goddeloze schimptaal voeren,
En, tegen recht, te zamen
Mijn ondergang beramen. 

Vers 8
"Ziet", zeggen zij, "hij ligt verschoven;
God staat niet aan zijn zij;
Jaagt, jaagt hem; grijpt hem vrij;
Hij kan geen uitkomst zich beloven."
O God, toon m' Uw ontferming,
En haast U ter bescherming. 

Vers 9
Doe hen beschaamd staan en bezwijken,
Wier woede mij bestrijdt,
Wier haat mijn rust benijdt;
Doe hen met smaad en schande wijken,
Die tegen mij zich sterken,
En mijne ramp bewerken. 

Vers 10
Mijn hart zal steeds op U vertrouwen,
Mijn mond vindt tot Uw lof
Gedurig ruimer stof.
En zal Uw recht en heil ontvouwen;
Schoon ik de reeks dier schatten
Kan tellen noch bevatten. 

Vers 11
Ik zal blijmoedig henen treden
In 's HEEREN mogendheid.
Mijn hart is uitgebreid,
O HEER, om Uw gerechtigheden,
Ja die alleen, te prijzen,
Op aangename wijzen. 

Vers 12
Gij hebt mij van mijn kindse dagen
Geleid en onderricht;
Nog blijf ik naar mijn plicht
Van Uwe wond'ren blij gewagen;
O God, wil mij bewaren
Bij 't klimmen mijner jaren. 

Vers 13
Blijf mij in mijne grijsheid sterken;
Verkwik mijn ouderdom;
Bewaak mij van rondom;
Zo meld' ik dit geslacht Uw werken;
Zo zal 'k Uw grootheid zingen
Voor hun nakomelingen. 

Vers 14
Ik roem, o eeuwig Alvermogen,
'k Roem Uw gerechtigheid,
Die zoveel glans verspreidt,
Zo heerlijk schittert uit den hoge,
O HEER der legerscharen,
Wie kan U evenaren? 

Vers 15
Gij deedt mij veel benauwdheid smaken
En drukkend harteleed;
Maar, tot mijn hulp gereed,
Zult Gij mij weder levend maken,
Mij uit den afgrond trekken,
En met Uw vleug'len dekken. 

Vers 16
Gij zult met luister mij omringen,
Mij troosten in mijn smart.
Dan zal ik, blij van hart,
Met luit en harp Uw goedheid zingen,
O heilig Opperwezen,
Door Israël geprezen. 

Vers 17
Mijn lippen zullen juichend roemen,
In psalmen, U gewijd,
Dat Gij mijn helper zijt;
Mijn tong zal U mijn redder noemen;
Uw gunst den Godgetrouwen,
Den gansen dag ontvouwen. 

Vers 18
'k Zal Uw gerechtigheid verheffen,
Die mij in eer herstelt,
Die al mijn haters velt.
'k Zie hen door schand' en schaamte treffen;
Ik zie hen schaamrood vluchten,
Die mijne ziel doen zuchten. 

SVHSVKJVFRDUAFRESP

Psalm 71

1 Op U, o HEERE! betrouw ik; laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid.

2 Red mij door Uw gerechtigheid, en bevrijd mij; neig Uw oor tot mij, en verlos mij.

3 Wees mij tot een Rotssteen, om daarin te wonen, om geduriglijk daarin te gaan; Gij hebt bevel gegeven, om mij te verlossen, want Gij zijt mijn Steenrots en mijn Burg.

4 Mijn God, bevrijd mij van de hand des goddelozen, van de hand desgenen, die verkeerdelijk handelt, en des opgeblazenen.

5 Want Gij zijt mijn Verwachting, Heere, HEERE! mijn Vertrouwen van mijn jeugd aan.

6 Op U heb ik gesteund van den buik aan; van mijner moeders ingewand aan zijt Gij mijn Uithelper; mijn lof is geduriglijk van U.

7 Ik ben velen als een wonder geweest; doch Gij zijt mijn sterke Toevlucht.

8 Laat mijn mond vervuld worden met Uw lof, den gansen dag met Uw heerlijkheid.

9 Verwerp mij niet in den tijd des ouderdoms; verlaat mij niet, terwijl mijn kracht vergaat.

10 Want mijn vijanden spreken van mij, en die op mijn ziel loeren, beraadslagen te zamen,

11 Zeggende: God heeft hem verlaten; jaagt na, en grijpt hem, want er is geen verlosser.

12 O God, wees niet verre van mij; mijn God! haast U tot mijn hulp.

13 Laat hen beschaamd worden, laat hen verteerd worden, die mijn ziel tegen zijn; laat hen met smaad en schande overdekt worden, die mijn kwaad zoeken.

14 Doch ik zal geduriglijk hopen, en zal al Uw lof nog groter maken.

15 Mijn mond zal Uw gerechtigheid vertellen, den gansen dag Uw heil; hoewel ik de getallen niet weet.

16 Ik zal heengaan in de mogendheden des Heeren HEEREN; ik zal Uw gerechtigheid vermelden, de Uwe alleen.

17 O God! Gij hebt mij geleerd van mijn jeugd aan, en tot nog toe verkondig ik Uw wonderen.

18 Daarom ook, terwijl de ouderdom en grijsheid daar is, verlaat mij niet, o God, totdat ik [dezen] geslachte verkondige Uw arm, allen nakomelingen Uw macht.

19 Ook is Uw gerechtigheid, o God, tot in de hoogte; Gij, Die grote dingen gedaan hebt; o God! wie is U gelijk?

20 Gij, Die mij veel benauwdheden en kwaden hebt doen zien, zult mij weder levend maken, en zult mij weder ophalen uit de afgronden der aarde.

21 Gij zult mijn grootheid vermeerderen, en mij rondom vertroosten.

22 Ook zal ik U loven met het instrument der luit, Uw trouw, mijn God; ik zal U psalmzingen met de harp, o Heilige Israels!

23 Mijn lippen zullen juichen, wanneer ik U zal psalmzingen, en mijn ziel, die Gij verlost hebt.

24 Ook zal mijn tong Uw gerechtigheid den gansen dag uitspreken, want zij zijn beschaamd, want zij zijn schaamrood geworden, die mijn kwaad zoeken.