Home Kernwoorden Psalmen Belijdenis Zingen UitlegBoeken
 
 

 
1265176101126
2275277102127
3285378103128
4295479104129
5305580105130
6315681106131
7325782107132
8335883108133
9345984109134
10356085110135
11366186111136
12376287112137
13386388113138
14396489114139
15406590115140
16416691116141
17426792117142
18436893118143
19446994119144
20457095120145
21467196121146
22477297122147
23487398123148
24497499124149
255075100125150
 
 

Psalm 79

Vers 1
Getrouwe God, de heid'nen zijn gekomen;
Zij hebben stout Uw erfland ingenomen;
Jeruzalem, de tempel, Uw altaren,
't Ligt al verwoest door die geweldenaren.
Uw knechten zijn geveld
Door hun verwoed geweld;
Hun lijken, onbegraven,
Verzaden na hun dood
't Gediert' in hongersnood,
En gier en kraai en raven. 

Vers 2
Het kost'lijk bloed van Uwe gunstgenoten,
Als water om Jeruzalem vergoten,
Doet wijd en zijd des vijands woede blijken;
Het ganse veld is nu bezaaid met lijken,
Van d' eer des grafs beroofd.
De nabuur schudt het hoofd,
En lacht met onz' ellenden;
Ons deerniswekkend lot
Stelt ons ten smaad, ten spot,
Van vreemden en bekenden. 

Vers 3
Hoe lang zult Gij in gramschap zijn ontstoken?
Zal 't hevig vuur Uws ijvers eeuwig roken?
Stort Uwe wraak op hen, die ons verteren,
Op volken, die Uw groten naam niet eren;
Want Isrel, door hun macht
Verschrikk'lijk omgebracht,
Ligt in zijn bloed verdronken;
Zijn woning, al de troost
En lust van Jacobs kroost,
Gelijkt thans op spelonken. 

Vers 4
Gedenk niet meer aan 't kwaad, dat wij bedreven;
Onz' euveldaad word' ons uit gunst vergeven;
Waak op, o God, en wil van verder lijden
Ons klein getal door Uwe kracht bevrijden.
Help ons, barmhartig HEER,
Uw groten naam ter eer;
Uw trouw koom' ons te stade;
Verzoen de zware schuld,
Die ons met schrik vervult;
Bewijs ons eens genade! 

Vers 5
Waarom zou zich der heid'nen macht vermeêren?
Uw hoog gezag door bitt'ren schimp onteren?
En vragen, door hun trotsen waan bedrogen:
"Waar is hun God, waar blijkt nu Zijn vermogen?"
Vergeld hun overmoed;
Wreek Uwer knechten bloed;
O God van ons betrouwen,
Verdedig onze zaak;
Doe 't heidendom uw wraak,
Zelfs voor ons oog aanschouwen. 

Vers 6
Ai, hoor naar hen, die in gevang'nis kwijnen;
Laat hun gekerm voor Uw gezicht verschijnen;
Bevrijd hen, die, gedreigd met doodsgevaren,
Op Uwe hulp met smekend' ogen staren.
Vergeld den wreden smaad,
Waarmee des nabuurs haat
Uw mogendheid dorst schenden;
Geef hun, o Opperheer;
Die zevenvoudig weer;
Zie neer op onz' ellenden. 

Vers 7
Zo zullen wij, de schapen Uwer weiden,
In eeuwigheid Uw lof, Uw eer verbreiden,
En zingen van geslachten tot geslachten
Uw trouw, Uw roem, Uw onverwinb're krachten. 

SVHSVKJVFRDUAFRESP

Psalm 79

1 Een psalm van Asaf. O God! Heidenen zijn gekomen in Uw erfenis; zij hebben den tempel Uwer heiligheid verontreinigd; zij hebben Jeruzalem tot steenhopen gesteld.

2 Zij hebben de dode lichamen Uwer knechten aan het gevogelte des hemels tot spijs gegeven; het vlees Uwer gunstgenoten aan het gedierte des lands.

3 Zij hebben hun bloed rondom Jeruzalem als water vergoten; en er was niemand, die hen begroef.

4 Wij zijn onzen naburen een smaadheid geworden; een spot en schimp dien, die rondom ons zijn.

5 Hoe lang, HEERE? Zult Gij eeuwiglijk toornen? Zal Uw ijver als vuur branden?

6 Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de koninkrijken, die Uw Naam niet aanroepen.

7 Want men heeft Jakob opgegeten, en zij hebben zijn liefelijke woning verwoest.

8 Gedenk ons de vorige misdaden niet; haast U, laat Uw barmhartigheden ons voorkomen; want wij zijn zeer dun geworden.

9 Help ons, o God onzes heils! ter oorzake van de eer Uws Naams; en red ons, en doe verzoening over onze zonden, om Uws Naams wil.

10 Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is hun God? Laat de wraak des vergoten bloeds Uwer knechten onder de heidenen voor onze ogen bekend worden.

11 Laat het gekerm der gevangenen voor Uw aanschijn komen; behoud overig de kinderen des doods, naar de grootheid Uws arms.

12 En geef onze naburen zevenvoudig weder in hun schoot hun smaad, waarmede zij U, o Heere! gesmaad hebben.

13 Zo zullen wij, Uw volk en de schapen Uwer weide, U loven in eeuwigheid, van geslacht tot geslacht; wij zullen Uw roem vertellen.