Home Kernwoorden Psalmen Belijdenis Zingen UitlegBoeken
 
 

 
1265176101126
2275277102127
3285378103128
4295479104129
5305580105130
6315681106131
7325782107132
8335883108133
9345984109134
10356085110135
11366186111136
12376287112137
13386388113138
14396489114139
15406590115140
16416691116141
17426792117142
18436893118143
19446994119144
20457095120145
21467196121146
22477297122147
23487398123148
24497499124149
255075100125150
 
 

Psalm 80

Vers 1
Neem, Isrels Herder, neem ter oren;
Die Jozefs kroost, door U verkoren,
Als schapen gunstig hebt geleid;
Die enen troon van heiligheid
U tussen cherubs hebt gesticht;
Verschijn weer blinkend met Uw licht. 

Vers 2
Die glans straal' Efraïm in d' ogen;
Toon Benjamin Uw groot vermogen;
Verlos Manasse tot Uw eer;
Getrouwe Herder, breng ons weer;
Verlos ons, toon ons 't lieflijk licht
Van Uw vertroostend aangezicht. 

Vers 3
Hoe lang, o HEER der legermachten,
Verwerpt Gij, toornig, onze klachten?
Hoe lang verlaat G' ons in den nood?
Gij spijst Uw volk met tranenbrood;
Gij drenkt het, in zijn jammerstaat,
Met tranen, uit een volle maat. 

Vers 4
In 't bitter leed, dat wij verduren,
Zien w' ons aan onze nageburen,
Helaas, door U ten schimp gesteld,
Ons door hun twisten neergeveld;
Wij zien, daar ons hun haat vertreedt,
Hen spotten om ons harteleed. 

Vers 5
Laat ons, o God der legermachten,
Niet vruchtloos op Uw bijstand wachten;
Ga onzen haat'ren zelf te keer;
Getrouwe Herder, breng ons weer;
Verlos ons; toon ons 't lieflijk licht
Van Uw vertroostend aangezicht. 

Vers 6
Gij vondt in ons een welbehagen;
Gij bracht, o God, in vroeger dagen,
Uw wijnstok uit Egypteland;
Gij zelf hebt gunstig hem geplant,
Voor hem de volken uitgeroeid,
Hem plaats bereid, hem mild besproeid. 

Vers 7
Hij heeft zijn wortels uitgeschoten;
De bergen werden door zijn loten,
Als waren 't ceed'ren, overdekt;
Hij heeft zijn ranken uitgestrekt,
In zijnen bloei en frissen staat,
Tot aan de zee, tot aan d' Eufraat. 

Vers 8
Waarom hebt Gij zijn muur verbroken,
Hem van Uw zorg en hulp verstoken?
Men plukt, men trapt hem met den voet;
Het boszwijn heeft hem omgewroet,
Het wild gediert' hem afgeweid,
Daar 't zich door 't ganse land verspreid. 

Vers 9
Keer weer, o God der legermachten,
Tot ons, die op Uw bijstand wachten;
Zie uit den hogen hemel neer;
Herstel Uw wijnstok als weleer,
Den stam ter liefd' Uws Zoons geplant,
Dien Gij gesterkt hebt door Uw hand. 

Vers 10
Hij ligt verbrand en afgehouwen.
Als Gij verwoest, wie zal dan bouwen?
Uw hand zij over 's mensen Zoon,
Dien G' U gesterkt hebt tot den troon.
Zo leven wij, door U bevrijd,
Altoos aan Uwen dienst gewijd. 

Vers 11
Behoud ons, HEER der legermachten,
Zo zullen w' ons voor afval wachten;
Zo knielen w' altoos voor U neer.
Getrouwe Herder, breng ons weer;
Verlos ons, toon ons 't lieflijk licht
Van Uw vertroostend aangezicht. 

SVHSVKJVFRDUAFRESP

Psalm 80

1 Voor den opperzangmeester, op Schoschannim; een getuigenis, een psalm van Asaf. O Herder Israels! neem ter ore, Die Jozef als schapen leiddet; Die tussen de cherubim zit, verschijn blinkende.

2 Wek Uw macht op voor het aangezicht van Efraim, en Benjamin, en Manasse, en kom tot onze verlossing.

3 O God! breng ons weder, en laat Uw aanschijn lichten, zo zullen wij verlost worden.

4 O HEERE, God der heirscharen! hoe lang zult Gij roken tegen het gebed Uws volks?

5 Gij spijst hen met tranenbrood, en drenkt hen met tranen uit een drieling.

6 Gij hebt ons onzen naburen tot een twist gesteld, en onze vijanden spotten onder zich.

7 O God der heirscharen! breng ons weder, en laat Uw aangezicht lichten; zo zullen wij verlost worden.

8 Gij hebt een wijnstok uit Egypte overgebracht, hebt de heidenen verdreven, en hebt denzelven geplant;

9 Gij hebt [de] [plaats] voor hem bereid, en zijn wortelen doen inwortelen, zodat hij het land vervuld heeft.

10 De bergen zijn met zijn schaduw bedekt geweest, en zijn ranken waren [als] cederbomen Gods.

11 Hij schoot zijn ranken uit tot aan de zee, en zijn scheuten tot aan de rivier.

12 Waarom hebt Gij zijn muren doorgebroken, zodat allen, die den weg voorbijgaan, hem plukken?

13 Het zwijn uit het woud heeft hem uitgewroet, en het wild des velds heeft hem afgeweid.

14 O God der heirscharen! keer toch weder; aanschouw uit den hemel, en zie, en bezoek dezen wijnstok,

15 En den stam, dien Uw rechterhand geplant heeft, en dat om den zoon, [dien] Gij U gesterkt hebt!

16 Hij is met vuur verbrand; hij is afgehouwen; zij komen om van het schelden Uws aangezichts.

17 Uw hand zij over den man Uwer rechterhand, over des mensen zoon, [dien] Gij U gesterkt hebt.

18 Zo zullen wij van U niet terugkeren; behoud ons in het leven, zo zullen wij Uw Naam aanroepen.

19 O HEERE, God der heirscharen! breng ons weder; laat Uw aanschijn lichten, zo zullen wij verlost worden.