Z

Z' omringden mij met boze woorden,
Zag ik mij door een vijand jagen,
Zalig hij, die in dit leven
Zeer groot is onze HEER, vol krachten;
Zegt, om de heid'nen te verlichten:
Zelfs hij, op wien ik voormaals heb vertrouwd,
Zelfs vindt de mus een huis, o HEER,
Zend, HEER, Uw licht en waarheid neder,
Zet, HEER, een wacht voor mijne lippen;
Zie mij, HEER, wien elk moet duchten,
Zie mijn ellend', o HEER, en help Uw knecht,
Zie op mij in gunst van boven;
Zie op ons neder in genâ,
"Zie", zal men zeggen, "zie den dwaze,
Ziedaar Gods toorn, gelijk een vuur, ontstoken;
"Ziet gij een dief, gij loopt met hem en steelt;
Ziet, 't blij gerucht der ark liep voort,
"Ziet", zeggen zij, "hij ligt verschoven;
Zij dansen, wagg'len, vallen,
Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort;
Zij hadden mij omringd als bijen,
Zij hebben kwaad voor goed vergolden,
Zij hebben mij bijkans op aard' vernield,
Zij hebben 't langgewenste land
Zij hebben vol arglistigheid
Zij hebben wel een mond, doch die niet spreekt;
Zij hebben zich voor 't vloekaltaar,
Zij komen aan, door Godd'lijk licht geleid,
Zij leggen lagen voor de vromen;
Zij maakten zich, den HEER ten spot,
Zij momp'len saâm, vervuld met bitt'ren haat;
Zij raadslaan slechts, vervoerd door haat,
Zij rotten saâm, en houden bozen raad,
Zij rukken aan, met opgesperden mond,
Zij sloegen 't oog op God;
Zij spaarden volken, tot Gods hoon,
Zij spraken stout: "Kan God in wildernissen
Zij spreken nooit van vrede, neen;
Zij tergden, twistend, Gods genâ
Zij weken af door trouwelozen handel,
Zij werden daag'lijks begenadigd:
Zij weten doorgaans van verdriet
Zij zeggen, stout op hun vermogen:
Zij zeiden stout, en heet op buit:
Zij zullen U eerbiedig vrezen,
Zij zullen u, Gods gunstgenoot,
Zij zullen, uit de volheid van 't gemoed,
Zij, die de zee bevaren
Zij, die gebonden zaten
Zij, die kwaad voor goed vergelden,
Zij, die mijnen dood bejagen,
Zijn almacht wist de zee vaneen te scheiden
Zijn goedheid klom ten top;
Zijn grondslag, zijn onwrikb're vastigheden
Zijn handelwijs baart altijd smart op smart;
Zijn' is de zee; z' is door Zijn kracht
Zijn machtig' arm beschermt de vromen,
Zijn mond is vol van vloek, bedrog en list;
Zijn naam is heilig en geducht;
Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen;
Zijn schoonheid is vergaan; zijn troon ligt neergestort;
Zijn wacht, waarop men hopen mag,
Zijn wonderdaân, door niemand af te meten,
Zingt beurtelings, en dankt den HEERE;
Zingt des Hoogsten eer,
Zingt een psalm, en geeft
Zingt nu blij te moê
Zingt vrolijk, heft de stem naar boven,
Zingt zingt den HEER, die eeuwig leeft,
Zingt, zingt den lof van 't Opperwezen!
Zingt, zingt een nieuw gezang den HEERE,
Zingt, zingt een nieuw gezang den HEERE;
Zo gaat het elk, dien God bemint.
Zo Gij in 't recht wilt treden,
Zo Gij, van dat ik werd geboren,
Zo heb ik dan vergeefs gestreên,
Zo hoog Zijn troon moog' boven d' aarde wezen,
Zo ik dit zeggen staven zou,
"Zo ik in mijne woning treê,
Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven
Zo laat Gij, HEER, Uw knecht,
Zo leeft de HEER, mijn rotssteen zij geprezen;
Zo leert hij zich geduldig dragen;
"Zo moet de Koning eeuwig leven!"
Zo moet mijn vijand op de hielen
Zo word' Uw dierbaar volk in 't end,
Zo word', in 't land de handel ruim gedreven,
Zo zacht als olie is zijn spreken;
Zo zal de heerlijkheid der vromen
Zo zoeken mij vergeefs, o God,
Zo zullen wij, de schapen Uwer weiden,
Zo zullen zich gehele scharen
Zou dan de Schepper, die onz' oren
"Zou de HEER Zijn gunstgenoten,"
"Zou God Zijn genâ vergeten?
Zou in den kuil 't ontzielde stof
Zou 'k hen niet haten in mijn hart,
Zou ooit de stoel der schand'lijkheden
Zult Gij aan doden wond'ren doen,
Zwijg Gode, wacht op 't eind van 's HEEREN wegen,
Zwijg niet, o God, houd U niet doof;

Over psalmboek.nl

Contact

Copyright 2019


Sponsor: Erdee Media Groep