Home Kernwoorden Psalmen Belijdenis Zingen UitlegBoeken
 
 
Algemeen
Uitleg psalmen
Digitaal schoolbord
Over de berijmingen
De Franse berijming
De Nieuwe Psalmberijming
Helpt u mee?
Over de Psalmen
Psalmen in de Bijbel
Hebreeuwse Poëzie - 1
Hebreeuwse Poëzie - 2
Hebreeuwse Poëzie - 3
Geweldsteksten
Psalm 42 en 43 - I
Psalm 42 en 43 - II
Goedertierenheid
Goddelozen en Zondaars
Lofzang van Maria
Video over de Psalmen (Engels)
Opinie
Onbekende psalmen
Aangeboren muzikaliteit
Psalmkeuze
Populaire psalmen
Aanpassen melodie
Tips gezin, school, kerk
Moeilijke melodieën
Zingen bij Calvijn
Gesprek over Onbekende Psalmen
Waak voor Wildgroei
Discussie 1773 gezindte-breed
Ingezonden
Rubriek ingezonden
Zingen van psalmen
Geschiedenis Psalmen
Meditatie over psalm 80
Verantwoording Meeuse
Aanhef psalmen
Theologie psalmen 1
Theologie psalmen 2
Tweestemmige Harmonisaties
Studie berijmingen
Over Psalmen gesproken! (1)
Over Psalmen gesproken! (2)
Over Psalmen gesproken! (3)
Over Psalmen gesproken! (4)
Catechisatieles
Catechismus vr. 1
Catechismus vr. 2
Catechismus vr. 3 en 4
Catechismus vr. 6
Catechismus vr. 10
Catechismus vr. 12
Catechismus vr. 13
Catechismus vr. 14
Catechismus vr. 15
Catechismus vr. 16
Catechismus vr. 17
Catechismus vr. 18
Catechismus vr. 19
Catechismus vr. 20
Catechismus vr. 21
Catechismus vr. 22
Catechismus vr. 23
Catechismus vr. 24
Catechismus vr. 25
Catechismus vr. 26
Catechismus vr. 28
Catechismus vr. 29
Catechismus vr. 30
Catechismus vr. 31
Catechismus vr. 32
Catechismus vr. 33
Catechismus vr. 35
Catechismus vr. 36
Catechismus vr. 39
Catechismus vr. 40
Catechismus vr. 42
Catechismus vr. 43
Catechismus vr. 45
Catechismus vr. 47
Catechismus vr. 49
Catechismus vr. 51
Catechismus vr. 52
Catechismus vr. 53
Catechismus vr. 54
Catechismus vr. 55
Catechismus vr. 56
Catechismus vr. 57
Catechismus vr. 58
Catechismus vr. 59
Catechismus vr. 60
Catechismus vr. 61
Catechismus vr. 62
Catechismus vr. 63
Catechismus vr. 64
Catechismus vr. 65
Catechismus vr. 66
Catechismus vr. 67
Catechismus vr. 68
Catechismus vr. 69
Catechismus vr. 70
Catechismus vr. 71
Catechismus vr. 72
Catechismus vr. 73
Catechismus vr. 74
Catechismus vr. 75
Catechismus vr. 76
Catechismus vr. 77
Catechismus vr. 78
Catechismus vr. 79
Catechismus vr. 80
Dordtse Leerregels
Hoofdstuk 1 artikel 1
Hoofdstuk 1 artikel 2
Hoofdstuk 1 artikel 3 en 4
Hoofdstuk 1 artikel 5
Hoofdstuk 1 artikel 6
Hoofdstuk 1 artikel 7 en 8
Hoofdstuk 1 artikel 10 en 11
Hoofdstuk 1 artikel 12
Hoofdstuk 1 artikel 15
Hoofdstuk 1 artikel 17
Hoofdstuk 2 artikel 1 en 2
Hoofdstuk 2 artikel 3
Hoofdstuk 2 artikel 5
Hoofdstuk 2 artikel 6
Hoofdstuk 2 artikel 7
Hoofdstuk 2 artikel 8
Hoofdstuk 3 artikel 1
Hoofdstuk 3 artikel 2
Hoofdstuk 3 artikel 3
Hoofdstuk 3 artikel 4
Hoofdstuk 3 artikel 5
Hoofdstuk 3 artikel 6
Hoofdstuk 3 artikel 7
Hoofdstuk 3 artikel 8
Hoofdstuk 3 artikel 9
Hoofdstuk 3 artikel 10
Hoofdstuk 3 artikel 11
Hoofdstuk 3 artikel 12
Hoofdstuk 3 artikel 13
Hoofdstuk 3 artikel 14
Hoofdstuk 3 artikel 15
Hoofdstuk 3 artikel 16
Hoofdstuk 3 artikel 17
Hoe moet ik omgaan met
Aalmoezen
Aanvechtingen
Achterklap
Afgoderij
Alcohol
Ambt
Antisemitisme
Atheïsme
Barmhartigheid
Bastaardvloeken
Beeldende kunst
Bekering
Bekommering
Belediging
Berusting
Biblicisme
Bijbel
Bijbelkringen
Bijbelverklaringen
Bijbelvertalingen
Bijgeloof
Buitenkerkelijk christendom
Catechisatie
Censuur
Chiliasme
Chiromantie
Concubinaat
Confessionalisme
Conflicten
Creationisme
Cultuur
Dans
Doodzonde
De Doop
Drift
Dromen
De duivel
Eenzaamheid
Eer
Eerlijkheid
Eeuwigheid
Egoïsme
Eigendom
Eigengerechtigheid
Emancipatie
Emotie
Ergernis
Erotiek
Evangelicals
Evangelie
Evangelisatie
Evolutietheorie
Exorcisme
Fanatisme
Feestdagen
Film
Flirten
Formulieren van eenheid
Fossielen
Frustratie
Fundamentalisme
Gastvrijheid
Gebed
Gebed des Heeren
Gebedsgenezing
Gebedsverhoring
Geboorteregeling
Geduld
Des HEEREN Lof
Johannes à Lasco (1)
Johannes à Lasco (2)
Johannes à Lasco (3)
Johannes à Lasco (4)
Johannes à Lasco (5)
Willem Farel (1)
Willem Farel (2)
Willem Farel (3)
Willem Farel (4)
Willem Farel (5)
Willem Farel (6)
Islam
Girolamo Savonarola
Petrus Datheen (1)
Petrus Datheen (2)
Johannes Calvijn (1)
Johannes Calvijn (2)
Johannes Calvijn (3)
Johannes Calvijn (4)
Maarten Luther (1)
Maarten Luther (2)
Maarten Luther (3)
Maarten Luther (4)
Maarten Luther (5)
Maarten Luther (6)
Maarten Luther (7)
Maarten Luther (8)
Maarten Luther (9)
Maarten Luther (10)
Ambrosius
Guido de Brès (1)
Guido de Brès (2)
Guido de Brès (3)
Guido de Brès (4)
Guido de Brès (5)
Guido de Brès (6)
Guido de Brès (7)
Guido de Brès (8)
Augustinus (1)
Augustinus (2)
Augustinus (3)
Augustinus (4)
Augustinus (5)
De Germanen
Abt Gregorius
Petrus Waldes (1)
Petrus Waldes (2)
John Wycliff
Johannes Hus
wat de bijbel zegt over
Abraham
Benauwdheid
De drie-eenheid (1)
De drie-eenheid (4)
De drie-eenheid (2)
De drie-eenheid (3)
De drie-eenheid (5)
De drie-eenheid (6)
De drie-eenheid (7)
De drie-eenheid (8)
De drie-eenheid (9)
De drie-eenheid (10)
De jeugd (1)
De jeugd (2)
De wederkomst
Elkaar vergeven (1)
Elkaar vergeven (2)
Gods Woord
Heersen
Hoop
Kastijding (1)
Kastijding (2)
Lankmoedigheid
Matigheid
Oefening
Rijkdom
Strijd
Toorn
Zachtmoedig
De Catechismus van Genève
Vraag 1 t/m 5
Vraag 6 t/m 14
Vraag 15 t/m 20
Vraag 21 t/m 29
Vraag 30 t/m 45
Vraag 46 t/m 49
Vraag 50 t/m 54
Vraag 55 t/m 59
Vraag 60 t/m 64
Vraag 65 t/m 72
Vraag 73 t/m 79
Vraag 80 t/m 87
Vraag 88 t/m 91
Vraag 92 t/m 100
Vraag 101 t/m 105
Vraag 106 t/m 110
Vraag 111 t/m 113
Vraag 114 t/m 125
Vraag 126 t/m 130
Vraag 131 t/m 135
Vraag 136 t/m 142
Vraag 143 t/m 157
Vraag 159 t/m 165
Vraag 166 t/m 184
Vraag 185 t/m 195
Vraag 196 t/m 199
Vraag 200 t/m 203
Vraag 204 t/m 207
Vraag 208 t/m 212
Vraag 213 t/m 216
Vraag 217 t/m 223
Vraag 224 t/m 232
Vraag 233 t/m 239
Vraag 240 t/m 252
Vraag 253 t/m 255
Vraag 256 t/m 259
Vraag 260 t/m 265
Vraag 266 t/m 295
Vraag 296 t/m 308
Vraag 309 t/m 323
Vraag 324 t/m 332
Vraag 333 t/m 339
Vraag 340 t/m 356
Vraag 357 t/m 373
Staan tijdens het bidden
Waar jij mee zit
Gospelmuziek
Onbekeerd na een kerkdienst
Gods berouw
De speelfilm
Gods eer boven eigen zaligheid
De naam HEERE in de Psalmen
Voor elkaar bidden
Vruchten van de wedergeboorte
Kringgebed
De verboden boom
Hoogmoed
Geen last van je zonden
Belijdeniscatechisatie
Rechtvaardiging en heiliging
Ben ik uitverkoren?
Genade onder voorwaarde
Popmuziek en housemuziek
De vergeving van zonden
Schriftuurlijke prediking
Zondigen tegen je wil
Jezus een hindernis
Het erkennen van zondeschuld
Moedeloosheid
Gods kinderen en God
Zondesmart
Boetvaardigheid
De doopbelofte
Geroepen tot predikant
Mensverheerlijking
Bijna-dood-ervaring
Een kind dat sterft
Opvoeden
De zonden haten
Computerspelletjes
Zonde tegen de Heilige Geest
Wat is bidden
De gemeenschap der heiligen
De echte en blijvende bekering
Vergeven bij een echtscheiding
Beloften voor onbekeerden
De Drie Verbonden
Troost ontvangen uit beloftes
Het Boek
Geloven in of aan Christus
Hoofdbedekking bij het bidden
Verbond maken met ogen
Gebedsverhoring
 

 

Al heel wat maanden is in De Catechisant het onderwerp van de doop aan de orde. En nu zijn we gekomen bij de laatste vraag over dit onderwerp, vraag 74:

Salmen oock de ionghe kinderen doopen.

Ursinus heeft aan de gedoopte jeugd van Heidelberg in vijf vragen & antwoorden de rijkdom van de doop volgens de Schrift duidelijk gemaakt. Logisch dat nu de vraag komt: geldt dit allemaal ook voor mij? Ik lees over vergeving van zonden en de werking van de Heilige Geest en dat de doop zegt dat God dit allemaal belooft, betekent dat nu dat God het allemaal ook aan mij belooft?        Daarom stelt de Catechismus nu de vraag aan de orde: geldt dit ook voor kinderen? Ik herinner me dat een dominee uit Ede bij de uitleg van het doopformulier de opmerking maakte: het eerste stuk gaat niet over de kinderdoop, maar over iemand die als gelovige wordt gedoopt. Het gaat daar over de drie heerlijke beloften van God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Die heerlijke beloften kon je volgens deze knecht van God niet zomaar van toepassing achten op de kinderen die gedoopt werden. Zo denken nu ook de baptisten, en zo dachten ook de wederdopers in de dagen van Guido de Brès (opsteller van de Nederlandse Geloofsbelijdenis) en van Zacharias Ursinus. Als het over de inhoud van de doop gaat, kunnen ze met de vragen 69 tot en met 73 best wel aardig instemmen, maar dan moet het wel duidelijk zijn dat dit alleen kan slaan op de doop van een gelovige, zoals de kamerling in Handelingen 8 of van de gevangenbewaarder in Filippi in Handelingen 16. De kinderdoop (door hen genoemd ‘zuigelingenbesprenkeling’) blijft dan dus 100% buiten beschouwing en móet ook buiten beschouwing blijven.

Daarom stelt de Catechismus nu aan de orde of ook kleine kinderen gedoopt moeten worden en of de heerlijke dingen die allemaal genoemd zijn, dan ook voor hen gelden. Het kan zijn dat we op grond van de Bijbel moeten besluiten dat alleen gelovigen gedoopt mogen worden. Of dat de inhoud van de doop, als we ergens ruimte zien voor de doop van baby’s, misschien anders is. Het tweede geval wordt door de opstellers van de Catechismus niet eens overwogen, omdat er in de Bijbel maar één doop is. De opmerking van die predikant dat het eerste deel van het doopformulier met die heerlijke beloften alleen van toepassing is op de volwassendoop, is dan ook ondenkbaar voor onze Catechismus. Daarom moeten we nu er over nadenken of de Bijbel ruimte geeft voor de kinderdoop. Eeuwenlang was dat in Nederland geen vraag, maar de laatste tientallen jaren is dat drastisch aan het veranderen. De invloed van de evangelischen is er verantwoordelijk voor dat de gedachte postvat dat de geloofsdoop beter is of zelfs alleen goed is!

Wat zegt de Bijbel? De vraag wat de Bijbel ergens over zegt, is soms heel gemakkelijk te beantwoorden. Vraagt iemand wat de Bijbel zegt over wie er besneden mochten worden, dan hoeven we geen lange discussies te voeren: het staat er duidelijk: een jongetje van Israëlietische ouders van acht dagen oud moet besneden worden en zo het teken van Gods verbond ontvangen (Genesis 17 vers 12). Maar soms is het niet zo gemakkelijk om een antwoord te vinden in de Bijbel. Als iemand vraagt: wat zegt de Bijbel over deelname van vrouwen aan het avondmaal, dan moet je goed zoeken om een tekst te vinden waar de Bijbel iets zegt over vrouwen aan het avondmaal. Bij mijn weten staat er in heel de Bijbel niets over. Wat nu? Nu moeten we een antwoord zoeken door schriftgedeelten die hier min of meer over gaan, met elkaar te vergelijken. En dan kom je door conclusies te trekken tot de slotsom: vrouwen mogen ook aan het avondmaal deelnemen, al staat er in heel de Bijbel niet één voorschrift en ook niet één voorbeeld dat het gebeurt. Met de kinderdoop is het vergelijkbaar. Letterlijk niet één tekst is er te vinden in heel de Bijbel waarin staat dat een zuigeling werd gedoopt of moet worden gedoopt. Baptisten zijn dan ook gauw klaar en zeggen dat het dus duidelijk is: als er geen voorbeelden zijn en geen voorschriften, dan moeten we de kinderen niet dopen. Het klinkt heel eenvoudig, maar klopt het ook? Om deze vraag te kunnen beantwoorden moeten we de brede verbanden van de Bijbel in het oog houden. De doop komt niet zomaar uit de lucht vallen. God heeft de doop niet ingesteld zonder dat daar in Israël al het een en ander aan vooraf was gegaan. En wel in het bijzonder de besnijdenis. Antwoord 74 wijst daar op. Ook in een andere betekenis geldt dat de doop niet in het luchtledige zweeft. De doop hoort ergens bij, staat met iets in verband, en dat is: het verbond. Ook daar wijst antwoord 74 op. Het verbond is een belangrijk gegeven in de Heilige Schrift. Besnijdenis en verbond zijn de twee pijlers waar de gedachte en de praktijk van de kinderdoop op rust. Als we de doop zien in verband met de besnijdenis en in verband met het verbond, dan is de conclusie om kinderen te dopen net zo voor de hand liggend als de conclusie om vrouwen aan het avondmaal toe te laten. Voordat ik daar in het volgende nummer Deo volente op in ga, eerst nog wat anders: Stel je voor dat we tot de conclusie moesten komen dat de kinderdoop geen grond in de Bijbel heeft en dat jij dus ten onrechte gedoopt werd (ofwel: jij bent eigenlijk nog niet gedoopt), zou je dat erg vinden? Anders gevraagd: maakt het jou iets uit of je gedoopt bent of niet en of je gedoopt had mogen worden of niet? En zou jij in het laatste geval nog gedoopt willen worden? Denk jij wel eens aan de inhoud van de doop? Geef jij iets om die inhoud? Verlang jij, of je nu wel gedoopt bent of niet en of je nu als baby wel gedoopt mocht zijn of niet, naar de dingen die de Catechismus in de achterliggende vijf vragen & antwoorden beschreef?       

Als we ons er verder in gaan verdiepen of de kinderdoop nu wel of niet mag / moet, is het geen theoretische aangelegenheid, waar wij persoonlijk buiten staan. Het gaat over heel belangrijke dingen, waar we nooit neutraal tegenover kunnen en mogen staan. Daarom nog eenmaal de inhoud van het sacrament van de doop – zoals we dat in het Nieuwe Testament vinden.

  1. Wanneer je, net als de kamerling, wordt gedoopt, zegt God dat jij net zo zeker van al je zonden bent gereinigd, als het water van de doop op je huid is gekomen.
  2. Bij de doop word je ingelijfd in Christus, zodat al de schatten en gaven van Christus voor jou zijn.
  3. De doop symboliseert het proces van de wedergeboorte of vernieuwing door de Heilige Geest.

Wie deze dingen niet acht, hoeft zich ook niet te verdiepen in de vraag of alleen gelovigen gedoopt behoren te worden, of ook hun kinderen. Maar als jij hartelijk belangstelling hebt voor de drie genoemde dingen, en je wilt weten of ook jij dit in de doop beloofd kreeg, dan is het de moeite waard om er grondig over na te denken, of je wel of niet gedoopt mocht worden. Als je namelijk niet gedoopt mocht worden, gelden deze beloften niet voor jou. Als je wél gedoopt mocht en moest worden, gelden deze beloften wél voor jou.

Een stukje van de opsteller van de Catechismus uit zijn Schatboek, een uitleg van de Catechismus voor aanstaande predikanten:

Niemand dan christenen die door belijdenis van het geloof en door bekering leden van de kerk zijn, horen de sacramenten te gebruiken… Dus buiten het gebruik waartoe ze ingesteld werden, zijn sacramenten geen sacramenten maar slechts zinloze plechtigheden en lege vormen. Hun juiste gebruik bestaat in waar geloof en bekering. Daarom dwalen allen die beweren dat ongelovigen en onbekeerden mét de tekenen ook de betekende zaak ontvangen.

Wij dopen kinderen omdat God dit wil. Niet omdat de doop iets aan zo’n kind geeft, wat het Woord niet geeft, maar omdat God het wil. In het Oude Testament wilde God dat jongetjes van acht dagen jong het teken en zegel van Zijn verbond ontvingen, en zo wil God dat onze kinderen dit ook ontvangen. Het teken is wel veranderd, maar de inhoud, het verbond, niet. Daarom mogen kinderen van de gemeente gedoopt worden. Wat zegt God daarmee? Om dit te weten, moeten we eerst naar de besnijdenis kijken. God zei daarmee: “Jij bent Mijn bondgenoot.” Dat is: “Ik ben jouw God.” Wat denk je, zou het de moeite waard zijn om Gods bondgenoot te wezen of vind jij de belofte ‘Ik ben jouw God’ waardeloos?

In de Bijbel komt de uitdrukking ‘Ik ben uw God’ (met deze of andere woorden) heel wat keren voor. Wat houdt dit in? Het heeft niet zozeer te maken met de schepping, maar met de verbondsrelatie. Ook krachtens schepping is God onze God. Maar de Bijbel gebruikt het zo niet. Wel in verband met het verbond. Dat blijkt heel duidelijk in Genesis 17 vers 7:

Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en u, en uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om voor u te zijn tot God, en voor uw zaad na u.

De statenvertalers merken hierover op: dat is, tot uw Zaligmaker, door de komende Messias. Ze vervolgen: deze manier van spreken bevat de goederen die dit verbond der genade meebrengt. Welke goederen of schatten zijn dat? Ik zal je een stukje laten lezen van ds. Wilhelmus à Brakel:

''De ene Partij en Verbondmaker is de Heere God; Die in dit verbond beschouwd moet worden als algenoegzaam. En zoals Hij in Zichzelf is, zo is Hij ook algenoegzaam voor alle bondgenoten, om die met zoveel licht, liefde, vrede, blijdschap en zaligheid te vervullen en te verzadigen, dat zij niets anders dan God alleen begeren. En als een ziel maar het allerminste straaltje hiervan ondervindt, dan zegt zij: ‘Wie heb ik behalve U in de hemel? Naast U lust mij ook niets op de aarde. Het is mij goed nabij God te wezen. Verzadiging van vreugde is voor Uw Aangezicht. Ik zal verzadigd worden met Uw beeld. Zij worden dronken van de vettigheid van Uw Huis.’ Deze algenoegzame God richt een verbond op met de mens aan wie alles ontbreekt.

O, hoe gelukkig is hij die met deze God in een verbond staat! Wie kan weigeren met deze Algenoegzame in een verbond te treden? Wie wordt niet gedrongen om dat op staande voet te doen? Het moet een liefhebber van God smarten, dat velen altijd vervuld zijn met een verkeerde indruk van God. Velen merken de goede God altijd aan als hard, onbarmhartig, onverbiddelijk. Met zo’n hart komen ze tot het gebed en hebben geen of weinig hoop op verhoring. Zo doet men God oneer aan en men bederft zichzelf. De andere partij is de mens, zo ellendig, zo zondig, zo verdoemelijk, zo onmachtig! Vergelijk nu deze twee met elkaar. Zou men wel kunnen geloven dat tussen deze twee zo ongelijke partijen ooit zulk een verbond zou kunnen komen, tenzij God het openbaarde? Laat engelen, laat hemel en aarde, laat mensen verbaasd staan, dat de hoge, heilige en heerlijke God zulke vuile, boze en onnutte schepselen in zo’n nauw verbond van vriendschap opneemt en door die Goddelijke weg tot de zaligheid leidt. God biedt Zich aan om de God van een arme boetvaardige zondaar te zijn. Hierin is alle gelukzaligheid gelegen, maar niemand weet wat het is, dan die het geniet. Het is niet een gáve van God te ontvangen, maar het is God Zélf te hebben tot zijn Deel. Wie zal die grote gelukzaligheid uitspreken? Het is overschaduwd te worden met Gods goedgunstige tegenwoordigheid; het is omringd te worden met Zijn helpende en bewarende almacht; het is te rusten in Zijn onfeilbare trouw; het is zich te verblijden in Gods eeuwige zaligheid, hoogheid en heerlijkheid; het is bestraald te worden met Zijn licht; het is verwarmd te worden met Zijn goedheid en liefde; het is verzadigd te worden met Zijn algenoegzaamheid; het is zich te verliezen in Zijn oneindigheid; het is dat genoegende en liefhebbende neerwerpen voor Hem, dat stellen onder Hem, dat aanbidden van Hem; het is in het gezicht en in het gevoel van Zijn volmaaktheden, met hart en tong en daden Hem eer te geven, omdat Hij het waardig is; het is Hem te vrezen, te dienen en in alles verenigd te zijn met Zijn wil, omdat Hij God is. Aan Gods kant is de bewilliging er, want Hij biedt het aan en nodigt ons uit. Als de mens de beloften nu goed verstaat en van harte begeert en de waarheid van deze aanbieding gelooft, zich van alle andere dingen afwendt en zich alleen tot God keert en aan Hem met kalmte, in waarheid en eerlijkheid zijn bewilliging tot dat verbond verklaart en zich daarin aan God in Christus overgeeft, dan is het verbond gemaakt en zal het eeuwig vast blijven.Gelukkig is hij van wie God de ogen heeft geopend, de wil gebogen en tot zulk een ernstige bewilliging heeft gebracht. Hij mag er zeker van zijn van zijn tegenwoordige en toekomende gelukzaligheid, al komt hij in veel duisternissen. Want zijn staat is niet vast op zijn gevoeligheid of geloof of heiligheid, maar op dit verbondAllen die Jezus Christus kiezen, Hem aannemen, op Hem zien, naar Hem verlangen, op Hem wachten om vergeving van zonden, om vrede, troost en kracht tot heiligmaking door Hem te ontvangen, die gaan waarlijk in dit verbond in. De Heere zal niemand verstoten die maar in waarheid door Christus tot Hem komt, al ben je nu zoveel jaren deze vriendelijke aanbieding ongehoorzaam geweest, al is je hele leven tot nog toe niet anders dan zonde geweest, al zijn er gruwelen bedreven, al ben je een doodslager, een overspeler en hoereerder, een dief, een lasteraar en leugenaar tot op deze tijd toe geweest, als je maar je zonden erkent, waarlijk berouw hebt en waarlijk lust hebt aan dit verbond in al zijn delen en aan de Borg om alleen door Hem die goederen deelachtig te worden; wees dan niet moedeloos, hier is hoop: kom maar, want de Heere zal je zeker niet verstoten, maar aannemen.''

Een prachtig gedeelte! Lees het gerust nog een keer. Dus de besnijdenis heeft met Gods verbond te maken. In zekere zin is elk verbondskind schatrijk. In dat verband is het aardig om het volgende voorbeeld te lezen. Een lezer stuurde het mij op: Onze dominee vertelde dat ene Danny Simpson (24 jaar) in de Verenigde Staten een overval pleegde waarbij hij $ 6000 buit maakte. Hij werd ingerekend en kreeg een gevangenisstraf van ..... (weet ff niet). Intussen onderzocht de politie het wapen waarmee hij de overval pleegde, en kwam erachter dat dit een zeer zeldzaam exemplaar was. De politie bood het wapen aan een museum aan en kreeg er $ 100.000 dollar. Had Danny maar geweten hoe rijk hij was... hij wist niet wat hij bezat...Terwijl ik hierover nadacht, schoot mij te binnen: “…dat de Heilige geest IN ONS WONEN en ons tot leden van Christus heiligen wil, ons toe-eigenende wat wij in Christus HEBBEN, namelijk de afwassing van onze zonde en de dagelijkse vernieuwing van ons leven.” Ik denk dat ik mijn ongelovige hart maar eens het zwijgen moet opleggen…

Weet jij hoe arm je bent, als je met het teken van Gods trouwverbond niet anders doet, dan God NIET geloven?! Maar de besnijdenis maakt toch niet zalig? Nee, dat doet de doop ook niet, maar bid God om Zijn Geest. Daar heb je alle reden voor in je doop (zo leert ds. L.G.C. Ledeboer ons in zijn Klein vragenboekje voor kinderen).

Wij dopen kinderen omdat God dit wil. Maar waar staat dat dan? In de Bijbel. De Catechismus geeft aan dat het is omdat de kinderen van de gemeente in Gods verbond zijn. Dat belijden wij omdat we overtuigd zijn van de eenheid van het Oude Testament met het Nieuwe. Er zijn wel verschillen, maar die hebben te maken met de vorm waarin God met Zijn volk omgaat, niet met het wezenlijke van het verbond. Volgens Paulus is het verbond van God met Abraham – waar de besnijdenis een zegel op is – nog steeds geldig in de Nieuwtestamentische tijd. Lees maar mee in Galaten 3. In vers 7 schrijft hij:

Gij verstaat dus dat degenen die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn.

In vers 9 lezen we:

Zo worden zij die uit het geloof zijn, gezegend met de gelovige Abraham.

In vers 14:

… de zegen van Abraham komt tot de heidenen in Christus Jezus, en wij ontvangen de belofte van de Geest door het geloof.

In vers 17 schrijft de apostel:

En dit zeg ik: het verbond dat te voren door God bevestigd is op Christus, wordt door de wet (die na vierhonderd en dertig jaren gekomen is – Paulus bedoelt hier de wetgeving op de Sinaï) niet krachteloos gemaakt, om de belofte te niet te doen.

Van dit verbond dat op Christus zag, was de besnijdenis een verzegeling, en in vers 27 schrijft de apostel:

Zovelen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan.

Hier wordt duidelijk dat én doop en besnijdenis op dezelfde zaak zien, én dat het in het Oude Testament niet over een ander verbond gaat dan in het Nieuwe Testament. Dat doop en besnijdenis heel veel met elkaar te maken hebben, kunnen we ook lezen in Kolossenzen 2 vers 11-12:

In Christus zijt gij ook besneden met een besnijdenis die zonder handen geschiedt, in de uittrekking van het lichaam der zonden, door de besnijdenis van Christus; zijnde met Hem begraven in de doop.

Wat bedoelt de apostel? Paulus beschrijft wat zowel de doop als de besnijdenis geestelijk inhouden: “de uittrekking van het lichaam der zonden”. Hij schrijft dat de christenen in Kolosse deze weldaad hebben ontvangen. Wanneer? Toen ze werden besneden? Nee, toen ze werden gedoopt: “Zijnde met Hem begraven in de doop.” Dit is de besnijdenis van het hart “die zonder handen geschiedt.” De doop vervangt blijkbaar de besnijdenis en zet haar voort, en kan dit doen omdat hij precies dátgene symboliseert wat de besnijdenis symboliseert en dus precies dezelfde plaats inneemt die de besnijdenis innam. De besnijdenis beeldde een diep geestelijke zaak af. Toch mochten en moesten acht dagen jonge jongetjes de besnijdenis ontvangen. Waarom zou de doop, die niet méér afbeeldt dan de besnijdenis, niet aan kinderen kunnen of mogen worden toegediend?

Antwoord 74 wijst er ons ook op dat de besnijdenis en de doop te maken hebben met het ingelijfd worden in de gemeente. Wanneer in de Oudtestamentische tijd een heiden bij de gemeente van Israël wilde horen, werd hij besneden. Wanneer in de Nieuwtestamentische tijd een heiden bij de gemeente van Christus wil horen, wordt hij niet besneden maar gedoopt. De gemeente van het Oude Testament is wezenlijk gelijk aan de gemeente van het Nieuwe Testament. Daarom heet de gemeente in het Nieuwe Testament Jeruzalem (Galaten 4 vers 26):

Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, hetwelk is ons aller moeder.

In Romeinen 11 vergelijkt Paulus de gemeente van Israël met een olijfboom. De ongelovige joden zijn als afgekapte takken. De olijfboom is dus niet omgekapt, maar staat er nog steeds. Wij zijn door het geloof in dezelfde olijfboom ingelijfd. Wij vormen dus niet een nieuwe gemeente, maar worden ingevoegd in de al eeuwen bestaande gemeente. Wie hoorden volgens God bij die gemeente, waarin sinds Pinksteren ook de heidenen mogen delen? De kinderen van de gemeenteleden. Lees maar mee in Joël 2 vers 15:

Blaast de bazuin te Sion, heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit.

Wie worden er dan samengeroepen? Vers 16 luidt:

Verzamel het volk, heilig de gemeente, vergader de oudsten, verzamel de kinderkens, en die de borsten zuigen.

Duidelijk is dat de kinderen bij Gods gemeente hoorden. Zouden ze daar nu niet meer bij horen? Dan moest dat duidelijk in de Schrift vermeld staan. Maar volgens de Heere Jezus horen kinderen juist wél tot het Koninkrijk van God. We lezen in Markus 10 vers 13-16:

Zij brachten kinderen tot Hem, opdat Hij ze aanraken zou; en de discipelen bestraften degenen die ze tot Hem brachten. Maar Jezus, dat ziende, nam het zeer kwalijk, en zei tot hen: “Laat de kinderen tot Mij komen, en verhindert ze niet; want van zulke (kinderen) is het Koninkrijk van God. Voorwaar zeg Ik u: wie het Koninkrijk van God niet ontvangt als een kind die zal er geenszins ingaan.” En Hij omving ze met Zijn armen, en de handen op hen gelegd hebbende, zegende Hij ze.

Als het Koninkrijk van God ook voor zuigelingen is, hoe zouden wij hen dan de doop onthouden, het teken en zegel van dat Koninkrijk (van die gemeente)? Als Jezus hen zegent, wat kan dan de reden zijn om hen het téken en zégel van Zijn zegen te onthouden? Dit is ook de reden dat Petrus hen in Handelingen 2 vers 38-39 in één adem noemt met de volwassenen, wanneer hij het heeft over de belofte. Het gaat hier over de belofte die Joël heeft genoemd, namelijk de gave van de Heilige Geest. Van deze belofte zegt Petrus, dat ze ook was voor de kinderen van die schuldverslagen joden. En hij haalt dit woord (“U komt de belofte toe, en uw kinderen”) aan om ze vrijmoedigheid te geven om zich te laten dopen. In vers 38-39 lezen we:

Petrus zei tot hen: “Bekeert u, en een ieder van u worde gedoopt in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave van de Heilige Geest ontvangen. Want u komt de belofte toe, en uw kinderen.”

Er staat dus met andere woorden: laat u dopen want voor u is de belofte; laat uw kinderen dopen want voor hen is de belofte. Wat houdt het nu in dat jij als kind bent gedoopt? Dat je een garantie van God kreeg: de belofte van de Heilige Geest is ECHT voor jóu! Wat doe jij met deze belofte? Of je aanvaardt haar of je verwerpt haar…

Een bekende tekst in verband met de kinderdoop is te vinden in de eerste brief van Paulus aan de gemeente te Korinthe, hoofdstuk 7. Hierin lezen we over het huwelijk. De apostel stelt onder andere ook de vraag aan de orde, of je als christen wel huwelijksgemeenschap mag hebben met een heiden. Wij zouden denken dat Paulus natuurlijk zegt: nee, dat mag niet. Maar hij schrijft dat dit wel mag en zelfs dat dit moet. Hoe zit dat? We moeten goed beseffen dat Paulus niet bedoelt dat een christen met een heiden mag trouwen. Daar is hij volkomen op tegen. Maar hij heeft in de christelijke gemeente met een heel andere toestand te maken, namelijk dat een heidens echtpaar onder de prediking van het evangelie was gekomen en dat één op die manier christen werd. Wat nu? Scheiden? Nee. “Maar mijn man is heiden…!”  Dat zegt niets. Lees maar mee in vers 12-14:

Indien een broeder een ongelovige vrouw heeft, en zij tevreden is bij hem te wonen, dat hij ze niet verlate. En een vrouw die een ongelovige man heeft, en hij tevreden is bij haar te wonen, dat zij hem niet verlate. Want de ongelovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongelovige vrouw is geheiligd door de man.

[De omschrijving “dat hij haar niet verlate” is Oudnederlands en betekent: die mag haar niet verlaten.]

En de kinderen die uit zo’n huwelijk geboren worden? Daar schrijft hij over in het vervolg van dit vers:

… want anders waren uw kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig.

Met ‘onrein’ duidt hij de heidenen aan. Hij zegt dus: uw kinderen zijn geen heidenkinderen, al is één van de ouders heiden gebleven. Met het tweede woord duidt Paulus de christenen aan. Lees maar hoe hij zijn brief begint (I Korinthiërs 1 vers 2:

Aan de gemeente van God die te Korinthe is, de geheiligden in Christus Jezus, de geroepen heiligen.

Dus de naam die hij aan het geheel van de gemeente geeft, geeft hij ook aan de babies… Ook zij horen bij Gods gemeente, die volgens I Korinthiërs 12 vers 13 “allen door één Geest tot één lichaam zijn gedoopt.” Zou hij hier de kinderen buiten hebben gesloten? Deze Geest is volgens II Korinthiërs 4 vers 13 Dezelfde van het Oude Testament. En toen hoorden de kinderen ook bij het verbond. Er is dus wat dat betreft niets veranderd. Waarom dopen wij kinderen en niet alleen degenen die van het geloof belijdenis kunnen afleggen? Omdat Jezus het Zelf heeft gezegd. Waar dan? In Mattheüs 28 vers 19:

Gaat dan heen, onderwijst al de volken, die dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes.

Wat zegt Jezus niet? Ga dan heen onderwijst alle mensen, maar alle volken. Heb jij ooit van een volk gehoord waar geen kinderen waren? Een volk van uitsluitend volwassenen? Wie moeten er worden gedoopt? De mensen die tot die volken behoren. Wanneer? Nadat ze onderwezen zijn, zoals baptisten steeds beweren? Nee, de Heere Jezus zegt (in modern Nederlands): onderwijst alle volken door hen te dopen. Het Griekse woord dat Jezus gebruikt en dat met ‘onderwijst’ is vertaald (matheteusate) betekent: tot discipel / leerling maken. Hetzelfde woord vinden we in Handelingen 14 vers 21, waar het vertaald is met ‘discipelen maken’:

En als zij in die stad het evangelie verkondigd en vele discipelen gemaakt hadden, keerden zij weder naar Lystre.

We kunnen Mattheüs 28 vers 19 dan ook eenvoudig als volgt weergeven: ga dus op weg en maak alle volken tot Mijn leerlingen, door hen te dopen in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest. Hoe wordt volken (waar per definitie ook kinderen bij horen, zoals bij het volk Israël!) tot discipelen van Jezus gemaakt? Door ze te dopen… Als je dit allemaal op je in laat werken, is het niet vreemd om te schrijven: wij dopen kinderen omdat Jezus dat Zelf gezegd heeft! Als Jezus wilde dat niet losse persónen werden gemaakt tot Zijn discipelen, maar vólken, dan kon het nooit buiten de kinderen om, omdat een natie zonder kinderen geen natie is. Als kinderen hier niet bij zouden horen, had de opdracht moeten zijn: onderwijs alle mensen, die dopende…  Wanneer de discipelen het bevel krijgen om naties tot Zijn discipelen te maken door hen te dopen, krijgen zij dus het bevel om ook de kinderen van die naties te dopen. Zo hebben de discipelen het ook begrepen toen zij vrouwen doopten, terwijl daar niet één woord over in de Bijbel staat. Bij een volk / een natie horen ook de vrouwen en de meisjes. Dus toen vrouwen tot geloof kwamen, doopten de apostelen, zonder dat ze er een uitdrukkelijk bevel toe hadden ontvangen, terecht ook die gelovige vrouwen. Denk aan Lydia (Handelingen 16 vers 14-15)

Een zekere vrouw, met name Lydia, een purperverkoop-ster, van de stad Thyatira, die God diende, hoorde ons; wier hart de Heere heeft geopend, dat zij acht nam op wat door Paulus gesproken werd. En toen zij gedoopt was, vroeg zij: als gij hebt geoordeeld dat ik de Heere getrouw ben, kom dan in mijn huis, en blijf er.

Zo bezien is het redelijker te vragen: “Waar staat dat bij het dopen van de naties de kinderen niet mogen worden gedoopt?”, dan te vragen: “Waar staat dat bij het dopen van de naties de kinderen ook moeten worden gedoopt?” Er is dan ook in heel de Bijbel niet één voorbeeld dat kinderen niet werden gedoopt wanneer hun ouders werden gedoopt. In dit verband is het ook heel begrijpelijk dat er niet alleen staat dat Lydia werd gedoopt, maar meteen ook haar ‘huis’. Dit lezen we net zo in de geschiedenis van de stokbewaarder (vers 31):

En Paulus en Silas zeiden: “Geloof in de Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis.”

Paulus schrijft (I Korinthiërs 1 vers 16):

Ik heb ook het huisgezin van Stefanus gedoopt.

[De statenvertalers hebben het woord ‘oikos’ dat letterlijk ‘huis’ betekent, hier weergegeven met ‘huisgezin’; en zo hoort het ook. In de twee verzen van Handelingen 16 had het ook beter met ‘huisgezin’ weergegeven kunnen zijn.] Nu even nadenken: wat hield dit in voor de huisgenoten van Lydia en van de cipier in Filippi en wat hield het in voor de huisgenoten van Stefanus in Korinthe? Dat vinden we heel mooi in de geschiedenis van Zacheüs, Lukas 19 vers 9:

Jezus zei tot hem: “Heden is aan dit huis zaligheid geschied, omdat ook deze een zoon van Abraham is.”

De kanttekening luidt hierbij: omdat, nu de huisvader in Christus gelooft, het hele huisgezin ook in het verbond gerekend wordt, tenzij dat zij door hun ongelovigheid deze genade verwerpen.

Wat doe jij met deze genade?

We ronden de behandeling van vraag en antwoord 74 over de kinderdoop af.

Ik schrijf ze nog een keer over (in het oude Nederlands):

Salmen oock de ionghe kinderen doopen?

Jaet; want midts-dien (1) sy alsoo wel als de volwassene in het verbont Gods ende in sijn ghemeynte begrepen zijn,

ende dat (2) hen door Christi bloet de verlossinghe vanden sonden ende den heylighen Gheest, die dat gheloove werckt, niet weynigher, als den volwassenen toegheseyt wert,

soo moetense oock door den Doop, als door dat teecken des verbondts der Christelicker kercken inghelijft ende van den kinderen der ongheloovighen onderscheyden werden,

ghelijck in het oude verbondt ofte Testament door de besnijdinghe gheschiet is,

voor dewelcke in het nieuwe verbondt den Doop ingheset is.

Deze laatste keer gaat het mij om: wat heb jij eraan dat je werd gedoopt? In dit Calvijnjaar laat ik voor jullie een keer Calvijn zelf hierover aan het woord. Hij schrijft over de doop in zijn hoofdwerk, de Institutie, die dit jaar in een nieuwe uitgave verschijnt.

''Dit moeten wij bedenken, dat, op welke tijd wij ook gedoopt worden, wij eenmaal voor ons hele leven afgewassen en gereinigd worden. Dus zo vaak als wij gezondigd hebben, moeten wij ons onze doop herinneren en ons met die herinnering wapenen, opdat we steeds zeker en onbekommerd zijn aangaande de vergeving der zonden... Want de reinheid van Christus is ons daarin aangeboden: deze houdt altijd haar kracht en wordt door geen zondevlekken verduisterd, maar bedekt al onze vuiligheden en wist ze af. Deze leer wordt alleen gegeven aan hen die, wanneer ze gezondigd hebben, vermoeid en bedrukt onder hun zonden zuchten... want Christus is door de Vader gegeven alleen aan ellendige zondaren, die gewond tot de Geneesheer zuchten. Aan hen wordt Gods barmhartigheid aangeboden. Het is niet twijfelachtig dat alle vromen gedurende heel hun levensloop – zo vaak zij door het bewustzijn van hun zonden gekweld worden – zich durven terug te roepen tot de herinnering aan de doop om zich daardoor te versterken in het vertrouwen op die enige en eeuwige afwassing, die we hebben in het bloed van Christus. Het teken van God dat aan het kind meegedeeld wordt, bevestigt de belofte die aan de vrome ouders is gegeven. Het verklaart ook dat het zeker is dat de Heere niet alleen voor hen, maar ook voor hun kinderen tot God zal zijn; en dat Hij niet alleen hen met Zijn goedheid en genade wil bejegenen, maar ook hun nakomelingen tot in het duizendste geslacht. En daar de grote goedertierenheid van God zich hierin vertoont, geeft ze een zeer ruime stof om Zijn heerlijkheid te verkondigen. En ze doordringt de vrome harten met buitengewone blijdschap, waardoor ze worden aangevuurd om een zo liefhebbende Vader wederliefde te bewijzen, van Wie ze zien, dat ook hun nakomelingen Hem een zorg zijn om hunnentwille. Aan de andere kant worden de kinderen, wanneer ze opgegroeid zijn, niet weinig aangezet tot een ernstige ijver om God te dienen. Door het openbare teken van de aanneming zijn ze door Hem tot Zijn kinderen aangenomen, nog voordat ze – vanwege hun leeftijd – Hem konden erkennen als Vader. God zal een Wreker zijn, wanneer iemand het versmaadt zijn kind te tekenen met het teken van het verbond, omdat door die verachting de aangeboden genade afgewezen wordt en als het ware afgezworen. Het is wenselijk op te merken, waarnaar de satan met zo grote sluwheid streeft wanneer hij de kinderdoop bestrijdt: namelijk om ons de bijzondere vrucht van vertrouwen en geestelijke vreugde die hieruit verkregen mag worden, te ontrukken en van de eer van de Goddelijke goedheid zoveel af te nemen. Want hoe lieflijk is het voor vrome harten om niet alleen door het Woord, maar ook door het aanschouwen van hun ogen ervan verzekerd te worden dat ze zoveel genade bij de hemelse Vader verkrijgen, dat hun nakomelingen een voorwerp van Zijn zorg zijn! Want hier kunnen wij zien dat Hij tegenover ons de functie op Zich neemt van een zeer vooruitziend Huisvader, Die zelfs na onze dood de zorg voor ons niet laat varen, maar ook voor onze kinderen zorgt en voorzorgsmaatregelen neemt. Moeten wij hier niet, naar het voorbeeld van David met ons hele hart opspringen tot dankzegging, opdat Zijn Naam door zo’n bewijs van goedheid geheiligd wordt? Hierom, hierom ongetwijfeld is het de satan te doen, wanneer hij de kinderdoop met zoveel geweld aanvalt, namelijk dat deze betuiging van Gods genade uit de weg wordt geruimd; en de belofte die zich daardoor voor onze ogen vertoont, langzamerhand eindelijk verdwijnt. En daaruit zou niet alleen een goddeloze ondankbaarheid tegen Gods barmhartigheid ontstaan, maar ook een zekere traagheid om de kinderen tot vroomheid te onderwijzen. Immers wij worden door deze prikkel er niet weinig toe opgewekt om hen in de ernstige vreze Gods en in de onderhouding van de wet op te voeden, wanneer wij overdenken, dat ze meteen van hun geboorte af door Hem als Zijn kinderen beschouwd en erkend worden. Laten we daarom, wanneer we niet boosaardig Gods weldadigheid willen verduisteren, Hem onze kinderen aanbieden, aan wie Hij een plaats toegekend heeft onder Zijn vrienden en huisgenoten, dat is onder de leden van de kerk. Laat het dus buiten geschil zijn dat God voor de Zijnen zo goed en milddadig is, dat Hij om hunnentwil ook de kinderen die zij hebben voortgebracht, tot Zijn volk gerekend wil hebben. Christus maakt ons door de doop deelgenoten aan Zijn dood, opdat wij in die dood ingelijfd worden. En zo gevoelen zij – die de doop ontvangen met het geloof waarmee ze dat behoren te doen – waarlijk de kracht van Christus’ dood in de doding van hun vlees en ook de kracht van Zijn opstanding in de levendmaking van de geest. Op deze manier belooft Hij ons in de doop, en bewijst Hij ons in het gegeven teken, dat wij door Zijn kracht uit de gevangenschap van Egypte, dat is uit de dienstbaarheid van de zonde, uitgevoerd en verlost zijn. Dat onze Farao, dat is de duivel, verdronken is, hoewel hij ook nu niet ophoudt ons te kwellen en te vermoeien. Wij hebben in onze blindheid en ongelovigheid de belofte die ons in de doop gegeven was, lange tijd niet gekend, maar toch is de belofte zelf – omdat ze van God was – altijd vast, krachtig en waarachtig gebleven... Wij erkennen dat de doop al die tijd ons van niet het minste voordeel geweest is, toen de belofte – die ons in de doop werd aangeboden en zonder welke de doop niets is – veronachtzaamd terneerlag. Maar nu, nu wij door Gods genade begonnen zijn ons te bekeren, klagen wij onze blindheid en hardheid van hart aan, omdat wij tegenover zo’n grote goedheid van God zo lang ondankbaar zijn geweest. Verder geloven wij niet, dat de belofte zelf verdwenen is; ja veeleer overwegen wij als volgt: God belooft door de doop vergeving van zonden en Hij zal zonder twijfel de beloofde vergeving verschaffen aan allen die geloven. Die belofte is ons in de doop aangeboden, laten we haar dus door het geloof omhelzen. Zij is voor ons wel wegens ons ongeloof lange tijd begraven geweest, maar laten we haar nu dus door het geloof aanvaarden.''

Door de doop bij de Goddelijke belofte zegt de Heere tegen jou: je bent bij Mij welkom! Kom tot Mij en Ik zal je voor eeuwig genadig zijn!