Home Kernwoorden Psalmen Belijdenis Zingen UitlegBoeken
 
 
Algemeen
Uitleg psalmen
Digitaal schoolbord
Over de berijmingen
De Franse berijming
De Nieuwe Psalmberijming
Helpt u mee?
Over de Psalmen
Psalmen in de Bijbel
Hebreeuwse Poëzie - 1
Hebreeuwse Poëzie - 2
Hebreeuwse Poëzie - 3
Geweldsteksten
Psalm 42 en 43 - I
Psalm 42 en 43 - II
Goedertierenheid
Goddelozen en Zondaars
Lofzang van Maria
Video over de Psalmen (Engels)
Opinie
Onbekende psalmen
Aangeboren muzikaliteit
Psalmkeuze
Populaire psalmen
Aanpassen melodie
Tips gezin, school, kerk
Moeilijke melodieën
Zingen bij Calvijn
Gesprek over Onbekende Psalmen
Waak voor Wildgroei
Discussie 1773 gezindte-breed
Ingezonden
Rubriek ingezonden
Zingen van psalmen
Geschiedenis Psalmen
Meditatie over psalm 80
Verantwoording Meeuse
Theologie psalmen 1
Theologie psalmen 2
Tweestemmige Harmonisaties
Studie berijmingen
Over Psalmen gesproken! (1)
Over Psalmen gesproken! (2)
Over Psalmen gesproken! (3)
Over Psalmen gesproken! (4)
Catechisatieles
Catechismus vr. 1
Catechismus vr. 2
Catechismus vr. 3 en 4
Catechismus vr. 6
Catechismus vr. 10
Catechismus vr. 12
Catechismus vr. 13
Catechismus vr. 14
Catechismus vr. 15
Catechismus vr. 16
Catechismus vr. 17
Catechismus vr. 18
Catechismus vr. 19
Catechismus vr. 20
Catechismus vr. 21
Catechismus vr. 22
Catechismus vr. 23
Catechismus vr. 24
Catechismus vr. 25
Catechismus vr. 26
Catechismus vr. 28
Catechismus vr. 29
Catechismus vr. 30
Catechismus vr. 31
Catechismus vr. 32
Catechismus vr. 33
Catechismus vr. 35
Catechismus vr. 36
Catechismus vr. 39
Catechismus vr. 40
Catechismus vr. 42
Catechismus vr. 43
Catechismus vr. 45
Catechismus vr. 47
Catechismus vr. 49
Catechismus vr. 51
Catechismus vr. 52
Catechismus vr. 53
Catechismus vr. 54
Catechismus vr. 55
Catechismus vr. 56
Catechismus vr. 57
Catechismus vr. 58
Catechismus vr. 59
Catechismus vr. 60
Catechismus vr. 61
Catechismus vr. 62
Catechismus vr. 63
Catechismus vr. 64
Catechismus vr. 65
Catechismus vr. 66
Catechismus vr. 67
Catechismus vr. 68
Catechismus vr. 69
Catechismus vr. 70
Catechismus vr. 71
Catechismus vr. 72
Catechismus vr. 73
Catechismus vr. 74
Catechismus vr. 75
Catechismus vr. 76
Catechismus vr. 77
Catechismus vr. 78
Catechismus vr. 79
Catechismus vr. 80
Dordtse Leerregels
Dordtse Leerregels art. 2
Dordtse Leerregels art. 3
Dordtse Leerregels art. 4
Dordtse Leerregels art. 5
Dordtse Leerregels art. 6
Dordtse Leerregels art. 7
Dordtse Leerregels art. 8
Dordtse Leerregels art. 9
Dordtse Leerregels art. 10
Dordtse Leerregels art. 11
Dordtse Leerregels art. 12
Dordtse Leerregels art. 13
Dordtse Leerregels art. 14
Dordtse Leerregels art. 15
Dordtse Leerregels art. 16
Dordtse Leerregels art. 17
Hoe moet ik omgaan met
Aalmoezen
Aanvechtingen
Achterklap
Afgoderij
Alcohol
Ambt
Antisemitisme
Atheïsme
Barmhartigheid
Bastaardvloeken
Beeldende kunst
Bekering
Bekommering
Belediging
Berusting
Biblicisme
Bijbel
Bijbelkringen
Bijbelverklaringen
Bijbelvertalingen
Bijgeloof
Buitenkerkelijk christendom
Catechisatie
Censuur
Chiliasme
Chiromantie
Concubinaat
Confessionalisme
Conflicten
Creationisme
Cultuur
Dans
Doodzonde
De Doop
Drift
Dromen
De duivel
Eenzaamheid
Eer
Eerlijkheid
Eeuwigheid
Egoïsme
Eigendom
Eigengerechtigheid
Emancipatie
Emotie
Ergernis
Erotiek
Evangelicals
Evangelie
Evangelisatie
Evolutietheorie
Exorcisme
Fanatisme
Feestdagen
Film
Flirten
Formulieren van eenheid
Fossielen
Frustratie
Fundamentalisme
Gastvrijheid
Gebed
Gebed des Heeren
Gebedsgenezing
Gebedsverhoring
Geboorteregeling
Geduld
Des HEEREN Lof
Johannes à Lasco (1)
Johannes à Lasco (2)
Johannes à Lasco (3)
Johannes à Lasco (4)
Johannes à Lasco (5)
Willem Farel (1)
Willem Farel (2)
Willem Farel (3)
Willem Farel (4)
Willem Farel (5)
Willem Farel (6)
Islam
Girolamo Savonarola
Petrus Datheen (1)
Petrus Datheen (2)
Johannes Calvijn (1)
Johannes Calvijn (2)
Johannes Calvijn (3)
Johannes Calvijn (4)
Maarten Luther (1)
Maarten Luther (2)
Maarten Luther (3)
Maarten Luther (4)
Maarten Luther (5)
Maarten Luther (6)
Maarten Luther (7)
Maarten Luther (8)
Maarten Luther (9)
Maarten Luther (10)
Ambrosius
Guido de Brès (1)
Guido de Brès (2)
Guido de Brès (3)
Guido de Brès (4)
Guido de Brès (5)
Guido de Brès (6)
Guido de Brès (7)
Guido de Brès (8)
Augustinus (1)
Augustinus (2)
Augustinus (3)
Augustinus (4)
Augustinus (5)
De Germanen
Abt Gregorius
Petrus Waldes (1)
Petrus Waldes (2)
John Wycliff
Johannes Hus
wat de bijbel zegt over
Abraham
Benauwdheid
De drie-eenheid (1)
De drie-eenheid (4)
De drie-eenheid (2)
De drie-eenheid (3)
De drie-eenheid (5)
De drie-eenheid (6)
De drie-eenheid (7)
De drie-eenheid (8)
De drie-eenheid (9)
De drie-eenheid (10)
De jeugd (1)
De jeugd (2)
De wederkomst
Elkaar vergeven (1)
Elkaar vergeven (2)
Gods Woord
Heersen
Hoop
Kastijding (1)
Kastijding (2)
Lankmoedigheid
Matigheid
Oefening
Rijkdom
Strijd
Toorn
Zachtmoedig
Orthodoxie
Verkiezing en verwerping
Wie is God?
Geloven (1)
Geloven (2)
 

 

Een bekend lied

Auteur: Dr. J. Polder

Zingen op zondag in de Gereformeerde Gezindte

De psalmen hebben een belangrijke plaats in de erediensten binnen de Gereformeerde Gezindte. Alle diensten. Maar niet alle psalmen. Iedere organist weet dat. Maar niemand weet het precies. Daarom is in een aantal gemeenten een jaar lang bijgehouden welke psalmen er zijn gezongen. En welke verzen, en ook wat organisten voor en na de dienst hebben gespeeld.

Met de start van de discussiegroep [organist] in 2000 bleek dat veel organisten uit de Gereformeerde Gemeenten en aanpalende kerkgenootschappen over e-mail beschikken. Naar aanleiding daarvan rees al snel het idee om een inventarisatie van psalmbriefjes te starten. Een langgekoesterde wens, want het is algemeen bekend dat er veel meer psalmen en psalmverzen zijn dan er worden gezongen. Omdat het er zo veel zijn moet een inventarisatie grootschalig worden aangepakt. Via [organist] werd daarom twee keer een oproep gedaan. Dit leverde 13 reacties op vanuit Zeeland tot het noordoosten van de Veluwe, dus prachtig gespreid over de ‘Bible belt’. Een jaar lang –van mei 2000 tot mei 2001– hebben deze organisten alle psalmbriefjes doorgegeven. Zowel van de diensten die ze zelf gespeeld hebben, soms in meerdere gemeenten, als ook van de andere diensten in hun gemeente en incidenteel kerkbezoek elders. In totaal is zo informatie verzameld over 30 gemeenten, 1.471 kerkdiensten, 6.801 psalmen en 10.316 verzen. Het grootste deel (ongeveer 90%) daarvan is afkomstig uit een kerngroep bestaande uit 13 gemeenten waarvan de meeste tot de Gereformeerde Gemeenten behoren (tabel 1).

In dit artikel worden de uitkomsten van de psalmeninventarisatie samengevat. De nadruk ligt daarbij op de beschrijving van de psalmen en de verzen die zijn gezongen en gespeeld. In de afrondende beschouwing wordt een aantal bevindingen onderstreept als opstap voor een verdere gedachtevorming. Het artikel beoogt een bijdrage te leveren aan de oproep van de dichter om de rustdag te wijden, ‘met psalmen tot God’s eer’.

Psalmen

Alle psalmen werden gezongen, op één na: Psalm 82 (‘In d’ achtb’re Godsvergaderingen, staat God als Richter der gedingen’). Van de twaalf ‘Enige gezangen’ werden er acht gezongen: de drie lofzangen, het Gebed en de Tien geboden des Heeren, de Morgenzang en de Avondzang, als ook de Bedezang voor de Predikatie. Met de aanduiding ‘psalmen’ worden in het vervolg van dit artikel zowel de psalmen bedoeld als ook de enige gezangen.

Figuur 1 laat zien welke psalmen werden gezongen en hoe vaak. Daarbij is nog even geen rekening gehouden met het aantal verzen dat per keer werd gezongen. De grafiek moet van boven naar beneden en van rechts naar links worden gelezen. De verdeling blijkt erg scheef te zijn: weinig psalmen werden vaak gezongen, veel psalmen werden weinig gezongen. De bovenste zwarte balk heeft betrekking op de vijftien psalmen (tien procent van het palmboek) die het meest zijn gezongen. Psalm 119 staat bovenaan met 352 vermeldingen, niet verwonderlijk als we de lengte van de psalm in acht nemen. De psalmen 89, 25 en 68 staan achtereenvolgens op de tweede tot en met de vierde plaats, met respectievelijk 274, 217 en 198 vermeldingen. Psalm 138 werd 103 keer gezongen en vormt daarmee de ondergrens van de eerste groep van vijftien psalmen. Deze top-10% omvat in totaal 2.457 vermeldingen (36% van het totaal). De tweede groep van vijftien psalmen is ongeveer half zo groot (1.209 vermeldingen, 18%) en voor de overige groepen daalt het steeds verder. Van elke twee psalmen die werden gezongen, behoorde de ene tot een kleine groep van 30 psalmen (de twee bovenste balken uit figuur 1), en de andere tot een grote groep van 130 psalmen.

Toonsoort

Veruit de meeste psalmen hebben een dorische (37%) of een jonische (28%) melodie (tabel 2). De jonische werden echter veel vaker gezongen dan de dorische, namelijk respectievelijk 46% en 20%. Psalmen met een vaste plaats in de liturgie, zoals Psalm 119 en de Tien Geboden na het lezen van de wet, en de Psalmen 105 en 134 bij de bediening van de Heilige Doop, zijn daarbij buiten beschouwing gelaten. Psalmen met dezelfde melodie zijn overigens wel afzonderlijk geteld. Afgerond komt het erop neer dat er per vier dorische psalmen negen jonische werden gezongen, ongeveer drie keer zo veel dan men op basis van de verdeling in het psalmboek zou verwachten. Bij de andere toonsoorten is het verschil tussen beschikbare en gezongen psalmen verwaarloosbaar klein. Daarbij past de kanttekening, dat met name mixolydische melodieën nogal eens tot jonische worden omgebogen, waardoor het heel goed mogelijk is dat deze psalmen vaker werden gezongen naarmate het mixolydische karakter werd genegeerd.

Ook binnen de toonsoorten bestaat een grote variatie tussen psalmen die veel en weinig werden gezongen. Dat blijkt niet uit tabel 2, maar we zien het als we figuur 1 langslopen met een psalmboek waarin de toonsoorten staan. De psalmen 128, 129 en 130 hebben bijvoorbeeld alledrie een dorische melodie, maar Psalm 130 is de enige die vaak werd gezongen, namelijk 86 keer tegenover 4 keer voor Psalm 128 en slechts 1 keer voor Psalm 129. Andere voorbeelden betreffen de jonische psalmen 73 en 75 die respectievelijk 127 en 38 keer werden gezongen. De phrygische psalmen 69, 70 en 71 stonden respectievelijk 71, 8 en 27 keer op het psalmbord. Bij deze verschillen speelt, hooguit met uitzondering van Psalm 119, het aantal beschikbare verzen nauwelijks een rol.

Karakter

Binnen het psalmboek kunnen verschillende groepen worden onderscheiden. Bekend zijn bijvoorbeeld de zeven boetpsalmen. In het oude Israël werden ook de liederen Hamaäloth en het Hallel als afzonderlijke collecties onderscheiden, maar deze indelingen zijn binnen de christelijke traditie hun praktische betekenis kwijt geraakt. Voor ons doel is een indeling in lof- en klaagpsalmen, of in bevindelijke en niet-bevindelijke relevanter. In tabel 3 wordt een indeling in tien groepen voorgesteld. Vooraf merken we op dat deze indeling natuurlijk niet met een schaartje te knippen valt. Klacht en jubel liggen soms dicht bij elkaar, zeker in de psalmen. En in veel psalmen wordt zowel de ellende bezongen als ook de verlossing en de dankbaarheid. Gekeken is daarom naar het accent waarop in de psalm de meeste nadruk valt. In Psalm 79 is dat bijvoorbeeld de ‘klacht over Jeruzalems ondergang’ zoals het boven de onberijmde psalm staat.

In tabel 3 wordt als eerste categorie genoemd ‘de grootheid en goedheid van God’, bijvoorbeeld in Zijn schepping (Psalm 19), in de natuur (29), in Zijn voorzienige leiding (104) en regering (146), en ook ten opzichte van de afgoden (115). Hiervan onderscheiden zijn de Messiaanse psalmen en de uitgesproken lof- en dankliederen. In veel psalmen wordt gezongen over de relatie tussen God en mens. Daarbij kan nader onderscheid worden gemaakt tussen psalmen die in hun algemeenheid over de Heere en Zijn volk spreken en psalmen waarin de persoonlijke omgang met God centraal staat. Taalkundig gaat het in de eerste groep over de derde persoon zoals in Psalm 46 (‘God is een toevlucht voor de Zijnen’), terwijl het in de tweede groep de eerste persoon betreft zoals in Psalm 32 (‘Gij zijt mij, Heer, ter schuilplaats in gevaren’). Psalmen als 67 en 85 geven onmiddellijk aan dat het onderscheid tussen beide categorieën vloeiend is. Bij de persoonlijke psalmen is het goed om verder onderscheid te maken tussen psalmen die vooral de omstandigheden betreffen zoals Psalm 54 (‘O God, verlos mij uit de nood’) en psalmen waarin het geloofsleven met de Heere centraal staat zoals in Psalm 27 (‘Zo ik niet had geloofd dat in dit leven’). Ook de zeven boetpsalmen behoren tot deze groep. In tabel 3 worden ze echter afzonderlijk genoemd. In de klaagpsalmen staat de klacht van de dichter centraal, bijvoorbeeld over ontrouw (Psalm 12) en over het verwoeste heiligdom (74, 79), of meer persoonlijk over verlating en vervolging (88, 109). Ook wraakgevoelens krijgen hier een plaats (83, 137). Als laatste groepen onderscheiden we historische psalmen en een restgroep waartoe we ook de psalmen met een onderwijzend of bestraffend karakter rekenen.

Tabel 4 laat zien hoe vaak de psalmen in deze tien groepen zijn gezongen. Het algehele patroon kan in drie conclusies worden samengevat: a) psalmen worden vaker gezongen naarmate zij het geloofsleven betreffen, een Messiaans karakter hebben of over de relatie tussen de Heere en Zijn volk gaan; b) psalmen worden minder vaak gezongen naarmate zij een algemener karakter hebben, over de persoonlijke omstandigheden van de dichter gaan of uitgesproken wraakgevoelens verwoorden; c) lof- en dankliederen en psalmen over de grootheid en goedheid van God worden verhoudingsgewijs in dezelfde mate gezongen als ze in het psalmboek zijn opgenomen.

Aan de hand van figuur 1 kan iedereen deze conclusies nuanceren. We noemen slechts een aantal opvallende zaken. Van de liederen over de schepping en de natuur genoot Psalm 19 de voorkeur boven de psalmen 29 en 104. Van de Messiaanse psalmen werden de psalmen 72 en 22 veel vaker gezongen dan bijvoorbeeld Psalm 110. Bij de groep psalmen die betrekking hebben op de omgang van de Heere met Zijn volk zijn de verschillen nog groter. Een klein aantal psalmen uit deze groep werd heel vaak gezongen, vele andere kwamen nauwelijks aan bod, waaronder –toch wel een beetje als verrassing– Psalm 124. Ook Psalm 50 werd weinig gezongen, ondanks het feit dat de onberijmde tekst vaak in preken wordt aangehaald (bijvoorbeeld vers 7 ‘Hoor, Mijn volk, en Ik zal spreken Israël, en zal onder u betuigen: Ik God, ben uw God’; vers 10 ‘Want al het gedierte des wouds is Mijne; de beesten op duizend bergen’; vers 23 ‘Wie dank offert, die zal Mij eren; en wie zijn weg wel aanstelt, dien zal Ik Gods heil doen zien.’). De psalmen 4, 61, 101 en 131 werden weinig gezongen in vergelijking met andere psalmen waarin het leven met de Heere centraal staat. Ook bij de boetpsalmen lijkt er een voorkeur te bestaan, namelijk voor de psalmen 32, 51 en 130. Onder de gebeden in omstandigheden en de klaagliederen bevinden zich enkele psalmen met een bredere toepassing, zoals de psalmen 3, 31, 56, 74 en de eerder aangehaalde Psalm 79. Deze werden dan ook vaker gezongen dan de andere psalmen in deze groepen. Van de lofpsalmen werd Psalm 150 verrassend weinig gezongen. Opvallend is ook dat Psalm 14 vaker werd gezongen dan Psalm 53, ondanks het feit dat ze nagenoeg identiek zijn. Als laatste noemen we de historische psalmen. Tabel 4 suggereert dat deze toch wel vaak zijn gezongen. Dit is echter niet het geval. De psalmen 105 en 106 zijn wel vaak gezongen, maar het betrof vrijwel uitsluitend de verzen die niet over de historie van Israël gaan. Figuur 2 laat dat zien voor Psalm 106.

Karakter en toonsoorten

De mate waarin de psalmen werden gezongen bleek hierboven niet alleen samen te hangen met de inhoud maar ook met de toonsoort. De voorliggende vraag is of beide aspecten samenvallen of elk hun eigen invloed hebben. Om dit na te gaan zijn in tabel 5 indexcijfers berekend. Deze geven weer hoe vaak een psalm werd gezongen in afwijking van hetgeen men op grond van een evenredige verdeling zou verwachten. Een indexcijfer van 2 betekent dan, dat de betreffende psalm twee keer zo vaak is gezongen, ofwel 100% meer. In tabel 5 zijn de toonsoorten en de verschillende groepen psalmen tot wat handzamere proporties teruggebracht. We zien dat jonische psalmen 1.7 keer zo vaak werden gezongen dan men puur op grond van het aantal zou verwachten. Dorische psalmen en psalmen met een andere toonsoort zijn minder vaak gezongen. Ook voor het karakter van de psalm zien we het hierboven geschetste beeld terug in de laatste kolom.

Maar nu de combinaties. Jonische psalmen over de persoonlijke omgang met God zijn 3.3 keer zo vaak gezongen. Dat heeft natuurlijk te maken met de lengte van psalm 119, maar niet alleen. Ook als daarvoor gecorrigeerd wordt, blijken toonsoort en karakter van de psalm elkaar te versterken bij de psalmkeuze. Haast nog opvallender is dat dorische psalmen over het persoonlijke geloofsleven minder vaak worden gezongen (index 0.9), dit in tegenstelling tot de psalmen in deze categorie met een andere toonsoort (index 1.1). Voor alle categorieën geldt dat de dorische psalmen relatief minder worden gezongen. Omgekeerd geldt zowel voor de jonische als voor de dorische melodieën dat de psalmen die over het persoonlijke geloofsleven gaan vaker worden gezongen dan de psalmen met een andere inhoud. We concluderen dat het karakter van de psalm en de toonsoort beide invloed hebben op de psalmkeuze in de eredienst.

Psalmverzen

In geen enkele gemeente werden hele psalmen gezongen, maar altijd één of enkele verzen uit een psalm. Daarbij genoot het ene vers de voorkeur boven het andere. Figuur 2 laat dat zien voor de psalmen 89 en 106. Tabel 6 geeft informatie over de 15 meest gezongen verzen. Zij vertegenwoordigen 1% van het totaal aantal verzen in het psalmboek (1.488) en een kleine 9% van het aantal gezongen verzen. Als we het aantal verzen uitbreiden tot 10% van het psalmboek, dan blijkt dat deze goed zijn voor 45% van het aantal gezongen verzen. Voor 25% van het psalmboek is dat ongeveer 75%, zoals figuur 3 laat zien. Uit deze figuur blijkt ook dat de helft van het psalmboek nauwelijks werd gebruikt, ongeveer 400 verzen werden slechts incidenteel gezongen, en ruim 300 verzen bereikten in geen enkele gemeente het psalmbord.

Vier verzen in tabel 6 werden vaak gezongen vanwege een vaste plaats in de liturgie. De elf overblijvende bevestigen het patroon dat hierboven werd beschreven voor de toonsoort en het karakter van de psalmen. Drie zaken vallen verder op: a) de psalmen 73 en 89 komen elk met twee verzen in de top-15 voor; b) een aantal veelgezongen verzen behoort tot psalmen als 2, 86 en 130 die zelf wel veel gezongen worden, maar niet tot de top-15 behoren (zie de bovenste regel van figuur 1). Dit duidt erop dat er binnen deze psalmen een grote variatie is tussen verzen die veel en weinig werden gezongen; c) omgekeerd is een aantal psalmen uit de top-15 van figuur 1 niet vertegenwoordigd in tabel 6, zoals de psalmen 22, 72, 84 en 103. Dit geeft aan dat er meerdere verzen uit deze psalmen relatief vaak werden gezongen. Dit kan geïllustreerd worden aan de hand van grafieken voor alle afzonderlijke psalmen op de manier van figuur 2. Deze zijn beschikbaar via de website van de VOGG.

Gemeenten

In dit onderzoek zijn dertien gemeenten met meer dan 325 psalmen vertegenwoordigd (zie tabel 1). Bij deze grens zou iedere psalm in principe twee keer gezongen kunnen worden. Tabel 7 laat zien dat dit in geen enkele gemeente het geval was. Verwonderlijk is dat niet, gegeven de hierboven beschreven uitkomsten voor het totaal van deze gemeenten. Dit neemt echter niet weg dat er tussen de verschillende gemeenten aanzienlijke verschillen bestaan. Om te corrigeren voor het verschil in aantal diensten per gemeente zijn een aantal verhoudingscijfers berekend, zoals het gemiddeld aantal psalmen en verzen per dienst (tabel 7). In alle gemeenten samen werden er per dienst gemiddeld 4.6 psalmen en 7 verzen gezongen. Als we naar de afzonderlijke gemeenten kijken, vallen vier dingen op: a) per dienst werden de meeste psalmen en verzen gezongen in de gemeenten behorend tot de Nederlandse Hervormde Kerk en de Christelijk Gereformeerde Kerk; b) in één van de Gereformeerde Gemeenten (GG-5) werden per dienst de minste psalmen en verzen gezongen. Het betreft hier een kleine gemeente met in totaal nog geen honderd leden en doopleden. Een belangrijk punt daarbij is dat de collecte zo weinig tijd in beslag neemt, dat niet omwille van de collecte extra verzen worden opgegeven zoals in grote gemeenten wel het geval is; c) ook in de Oud Gereformeerde Gemeente en de Gereformeerde Gemeente in Nederland werd verhoudingsgewijs weinig gezongen, waarbij opgemerkt kan worden dat het hier om grote gemeenten gaat; d) de overige Gereformeerde Gemeenten nemen een tussenpositie in, waarbij in de ene gemeente beduidend meer werd gezongen dan in de andere. Opvallend is het verschil tussen GG-7 en GG-8, twee grote gemeenten met elk rond 1.500 (doop)leden. Het zal overigens voor iedereen duidelijk zijn, dat deze conclusies betrekking hebben op de gemeenten die aan dit onderzoek hebben deelgenomen, en niet op de kerkgenootschappen als zodanig. Een serieuze vergelijking tussen kerkgenootschappen vereist een andere opbouw van de steekproef.

Het wordt nog interessanter als we naar het aantal verschillende psalmen kijken. Vooral als deze worden afgezet tegen het aantal kerkdiensten. In één van de Gereformeerde Gemeenten (GG-7) werden tijdens 64 diensten 133 verschillende psalmen gezongen. Dat aantal werd in geen van de andere gemeenten gehaald. Ook niet bij een veel groter aantal diensten. Opvallend is dat in deze gemeente het aantal verschillende verzen relatief beperkt bleef. Er werd dus vaker een verschillende psalm gezongen, maar binnen de psalmen viel de keus vaker op dezelfde verzen dan in andere gemeenten. In GG-3 was de variatie in het aantal verzen het grootst. In GG‑8 het kleinst, maar dat komt ook omdat deze gemeente met minder diensten in het onderzoek is vertegenwoordigd. Om daarvoor te corrigeren is in de volgende kolommen van tabel 7 berekend met welk aandeel de top-10% van de psalmen (dat zijn er 15) en van de verzen (ongeveer 1.500) vertegenwoordigd waren in hetgeen er werd gezongen. In GG-6 was dat 49% voor de psalmen en 62% voor de verzen, hetgeen betekent dat van de twee psalmen die werden gezongen er één afkomstig was uit een (kleine) groep van 15 psalmen, en drie van de vijf verzen uit een (kleine) groep van 150 verzen. Met deze percentages was de variatie in deze gemeente het kleinst. Voor een deel hangt dat samen met de gewoonte van deze gemeente om na de wetslezing het negende vers van de Tien Geboden des Heeren te zingen. Dat geldt ook voor GG‑1. Het ligt voor de hand dat de variatie toeneemt naarmate er meer psalmen in één dienst worden gezongen. De lage(re) percentages voor GG-7, NHK-1 en 2 en CGK bevestigen dit. GG-3 en GG-5 laten zien dat ook het omgekeerde mogelijk is: meer verschillende psalmen zingen, ook al is het aantal psalmen per dienst verhoudingsgewijs aan de lage kant.

De top-10% van de gezongen psalmen verschilt uiteraard per gemeente. Alleen de psalmen 25, 89 en 119 behoorden in alle gemeenten tot de meest gezongen psalmen. De laatste kolom van tabel 7 laat de psalmen zien die in de verschillende gemeenten tot de 15 meest gezongen psalmen behoorden maar die niet voorkomen in de eerste regel van figuur 1. Veel van deze psalmen blijken overigens wel tot de bovenste regionen van deze figuur te behoren, hetgeen erop duidt dat het grote patroon voor alle gemeenten min of meer gelijk is. Een opmerkelijke uitzondering is psalm 100 die alleen in GG-7 veel werd gezongen.

Organisten

Voor een aantal gemeenten is bijgehouden wat er voor en na de dienst werd gespeeld. In totaal betreft het een kleine duizend kerkdiensten met 1.844 opgaven van het in- en uitleidend orgelspel. Tabel 8 laat zien dat er 156 verschillende liederen aan bod kwamen, namelijk 147 psalmen (inclusief de dubbelmelodieën) en 9 ‘enige’ gezangen. Niet gespeeld werden de psalmen 57, 94 en 129, de bedezang voor de predikatie en voor het eten, en de dankzang na het eten. De beschikbaarheid van bladmuziek speelt daarbij uiteraard een rol, maar niet alleen. Uit de cijfers voor de afzonderlijke gemeenten blijkt dat ook organisten hun voorkeuren hebben, want de psalmen die aan bod kwamen werden gemiddeld twee keer gespeeld, ook als er nog genoeg niet gespeelde melodieën waren. Dat geldt ook voor de gemeente met het grootste aantal verschillende psalmen. Eén van de organisten in deze gemeente heeft de gewoonte om het gehele psalmboek van voor tot achter door te spelen, iedere dienst een volgende psalm. Zijn collega’s echter beperkten zich –in elk geval in de onderzoeksperiode- tot enkele veelgezongen psalmen, met een speciale voorkeur voor de psalmen 25, 84 en het Gebed des Heeren. Deze werden ook in de andere gemeenten veelvuldig gespeeld, tezamen met andere veelgezongen psalmen (tabel 8).

Wat de psalmkeuze betreft zijn de verschillen tussen predikanten en organisten dus niet zo groot. De laatste kolom van tabel 8 laat zien dat dit niet komt omdat de organisten zich beperkten tot de psalmen die tijdens de dienst werden gezongen. Ten hoogste in de helft van de gevallen werd het orgelspel voor en na de dienst gebaseerd op de psalmenkeuze tijdens de dienst. Voor alle gemeenten samen gaat het om minder dan een derde.

Beschouwing

Dit onderzoek naar het zingen van de psalmen is niet het eerste dat is uitgevoerd, maar het behoort wel tot de meest omvangrijke. Dit neemt niet weg dat er nog veel aan verbeterd kan worden. In een eventueel vervolgonderzoek verdienen twee aspecten aandacht. In de eerste plaats de indeling van de psalmen naar inhoud. De constatering dat het niet mogelijk is om de psalmen eenduidig te classificeren, betekent dat een nieuwe inventarisatie zich op het niveau van de afzonderlijke verzen moet richten. In de tweede plaats is het onderzoek nog steeds te klein om de resultaten per gemeente te beschrijven en te vergelijken. Zeker waar het de psalmverzen betreft of een vergelijking tussen kerkgenootschappen. Daarvoor is een langere onderzoeksperiode gewenst, bijvoorbeeld drie tot vijf jaar, met honderd procent dekking voor alle gemeenten die aan het onderzoek meedoen.

Doel van het onderzoek

Dit artikel beoogt een bijdrage te leveren aan de bezinning op de plaats van de psalmen in de eredienst. Om die reden is het beschrijvend van karakter en laat het in de eerste plaats zien welke psalmen vaak worden gezongen en waarom. Benadrukt moet worden dat het psalmenonderzoek niet is bedoeld om de betekenis van de psalmen en de verzen die veel worden gezongen te relativeren. Wel is het bedoeld om aandacht te vragen voor al die andere psalmen en verzen die het ook waard zijn om te worden gezongen en gespeeld. Dit kan bijvoorbeeld gestalte krijgen door een lijstje te maken met een aantal alternatieven voor verzen die veel worden gezongen. Op die wijze kan ook gehoor worden gegeven aan de opwekking van de psalmdichter: Zingt, zingt een nieuw gezang den HEERE (Psalm 96:1 (5 keer gezongen), en 98:1 (12 keer gezongen)).

Ook wil deze inventarisatie een aanzet geven tot een nadere gedachtevorming omtrent de vraag waarom zoveel psalmen en psalmverzen niet worden gezongen. In het onderstaande volgen, ter afronding, vier mogelijke oorzaken, inclusief enkele overwegingen tot verbetering.

1. Onbekendheid

Onbekendheid met op zijn minst een deel van de psalmen en psalmverzen is een eerste reden waarom zij niet worden gezongen. Onbekend maakt immers onbemind. Verbetering hiervan kan worden nagestreefd door systematisch aandacht te schenken aan onbekende psalmen, niet alleen tijdens de eredienst, maar ook op de catechisatie, in de gezinnen, op school en in de predikantsopleiding. Wanneer bijvoorbeeld iedere week één psalm wordt bestudeerd en zo mogelijk ook uit het hoofd wordt geleerd, kan in de vierjarige opleidingsperiode van predikanten het gehele psalmboek worden doorgewerkt. Verder dienen ook kerkenraden zich bewust te worden van hun verantwoordelijkheid voor hetgeen er in de eredienst wordt gezongen. Zij zouden bijvoorbeeld kunnen besluiten om op een vast moment tijdens de eredienst het gehele psalmboek door te werken, iedere dienst een psalm. In gemeenten met veel leesdiensten zou de kerkenraad ook kunnen besluiten om waar nodig af te wijken van de psalmen die bij de preek worden genoemd, teneinde ook op die wijze meer variatie aan te brengen.

2. Inhoud

Een tweede reden om bepaalde psalmen niet te zingen kan in de inhoud gelegen zijn. Wraakpsalmen bijvoorbeeld, zoals Psalm 137:5 en een aantal verzen uit Psalm 109. Hierboven hebben we gezien dat ook de liederen die specifiek over het volk Israël gaan weinig worden gezongen, alsmede de psalmen die betrekking hebben op de persoonlijke omstandigheden van de dichter als deze niet zijn geloofsleven betreffen. De voorliggende vraag is dan ook of alle psalmen geschikt zijn voor alle tijden en plaatsen. Wanneer deze vraag bevestigend wordt beantwoord, moet de zangpraktijk behoorlijk veranderen. Als het antwoord ontkennend is, moet grondig worden nagedacht over de consequenties daarvan. Als we immers voor het specifiek oudtestamentische lied geen plaats in onze eredienst hebben, rijst onmiddellijk de vraag wat we dan wel met het nieuwtestamentische lied doen. Uiteraard kunnen we over de heilsfeiten zingen in de profetische verzen uit de oude bedeling, maar als we dan toch selectief zijn, waarom zouden we dan –op zijn minst even selectief en nog veel kritischer- geen bijbelliederen en gezangen aan ons psalmboek toevoegen? Dit is uiteraard geen pleidooi voor oppervlakkige verzen, maar een wezenlijk vraagstuk dat raakt aan de opdracht van de psalmdichter: Zingt de HEERE een nieuw lied. Dichters uit de Reformatie en de Nadere Reformatie hebben laten zien dat dit mogelijk is, zonder de Bijbelse boodschap ook maar op enigerlei wijze geweld aan te doen.

3. Berijming

Een derde reden houdt verband met de berijming van de psalmen. Strikt genomen zingen we geen psalmen, maar een achttiende eeuwse interpretatie van de psalmen. In sommige gevallen staat die dicht bij de grondtekst, maar loopt het vers taalkundig en dichterlijk zo stroef dat het vers daarom weinig wordt gezongen. Dat zou bijvoorbeeld bij Psalm 10:7 het geval kunnen zijn. Dit vers werd slechts twee keer gezongen, terwijl de grondtekst (‘Gij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geve’) alom bekend is en veelvuldig wordt aangehaald. Een ander aspect van de berijmde psalmen betreft de inhoudelijke afstand tot de oorspronkelijke tekst. In veel gevallen wordt daar geen probleem van gemaakt, zoals bijvoorbeeld in Psalm 42:1 waar over een hert wordt gezongen dat aan een jacht is ontkomen die in de grondtekst niet voorkomt. Er is echter al vaak op gewezen dat woorden als ‘deugd’ en ‘Opperwezen’  meer met de eeuw van de Verlichting te maken hebben dan met de bedoelingen van de psalmdichters, en het is niet ondenkbaar dat sommige psalmen en verzen om die reden minder worden gezongen. Dit aspect dient nader onderzocht te worden. Maar als het zo is, dat de berijming de enige reden vormt om bepaalde psalmen niet te zingen, dan leidt dit onvermijdelijk tot de aanbeveling om de psalmberijming te herzien: Zingt de HEERE een nieuw lied.

4. Melodie

Psalmen kunnen ook weinig worden gezongen omdat de melodie niet bekend is. Dit aspect heeft een hoog kip-ei-gehalte, want ook het omgekeerde is immers waar: de melodie is niet bekend omdat de betreffende psalm zo weinig wordt gezongen. Hierboven hebben we gezien dat met name de dorische melodieën weinig aan bod komen. Dit kan twee dingen betekenen. Ten eerste dat onze twintigste eeuwse oren geen raad weten met deze oude toonsoort, en ten tweede dat twintigste eeuwse organisten met deze melodieën niet zo goed raad weten, en er niet in slagen om predikant en gemeente enthousiast te maken voor het zingen van deze psalmen. Overigens zijn er ook psalmen met een bekende of zelfs zeer bekende melodie, die weinig worden gezongen (zie bijvoorbeeld in figuur 1 de psalmen 101, 124 en 150).

Wanneer het alleen aan de melodie ligt dat een psalm niet of weinig wordt gezongen, zal daar natuurlijk iets aan gedaan moeten worden. Voor men echter de melodie gaat vervangen, de kwaliteit van de psalmmelodieën is immers ongeëvenaard en boven iedere discussie verheven, is het goed om eerst kritisch te kijken naar de manier waarop wij met deze melodieën omgaan. Dat geldt de organist, maar ook de gemeente en de kerkenraad. Een belangrijk punt vraagt daarbij om aandacht: de psalmmelodieën zijn ritmisch gecomponeerd. Het zou interessant zijn om na te gaan of juist de dorische melodieën in een ritmische zangwijze niet veel beter zingbaar zouden zijn. Dit zou betekenen dat de melodieën als zodanig niet onbekend of moeilijk zijn, maar dat wij ons van deze melodieën hebben vervreemd door het wezenlijke aspect van het ritme eruit te halen. Alleen al door een eenvoudig eerherstel daarvan kunnen we vervolgens gehoor geven aan de opdracht van de dichter: Zingt de HEERE een nieuw lied. Bij het aanleren van de onbekende psalmen als ook van de ritmische melodieën kunnen kerkkoren en minder geformaliseerde zanggroepen een voortrekkersrol vervullen.

Besluit

God woont onder de lofzangen Israëls (Psalm 22). Van Augustinus is de uitspraak ‘Bis orat, qui cantat’ (‘Wie zingt, bidt twee keer’), en in het verlengde daarvan hebben mannen als Luther en Calvijn gewezen op het grote belang van de kerkmuziek. Tegen deze achtergrond is de inventarisatie van de psalmen tot stand gekomen. We hopen dat dit artikel een aanzet geeft voor een verdere doordenking van het zingen op zondag, en bijdraagt aan het doel van alle kerkmuziek: Soli Deo Gloria!