Home Kernwoorden Psalmen Belijdenis Zingen UitlegBoeken
 
 
Algemeen
Uitleg psalmen
Digitaal schoolbord
Over de berijmingen
De Franse berijming
De Nieuwe Psalmberijming
Helpt u mee?
Over de Psalmen
Psalmen in de Bijbel
Hebreeuwse Poëzie - 1
Hebreeuwse Poëzie - 2
Hebreeuwse Poëzie - 3
Geweldsteksten
Psalm 42 en 43 - I
Psalm 42 en 43 - II
Goedertierenheid
Goddelozen en Zondaars
Lofzang van Maria
Video over de Psalmen (Engels)
Opinie
Onbekende psalmen
Aangeboren muzikaliteit
Psalmkeuze
Populaire psalmen
Aanpassen melodie
Tips gezin, school, kerk
Moeilijke melodieën
Zingen bij Calvijn
Gesprek over Onbekende Psalmen
Waak voor Wildgroei
Discussie 1773 gezindte-breed
Ingezonden
Rubriek ingezonden
Zingen van psalmen
Geschiedenis Psalmen
Meditatie over psalm 80
Verantwoording Meeuse
Theologie psalmen 1
Theologie psalmen 2
Tweestemmige Harmonisaties
Studie berijmingen
Over Psalmen gesproken! (1)
Over Psalmen gesproken! (2)
Over Psalmen gesproken! (3)
Over Psalmen gesproken! (4)
Catechisatieles
Catechismus vr. 1
Catechismus vr. 2
Catechismus vr. 3 en 4
Catechismus vr. 6
Catechismus vr. 10
Catechismus vr. 12
Catechismus vr. 13
Catechismus vr. 14
Catechismus vr. 15
Catechismus vr. 16
Catechismus vr. 17
Catechismus vr. 18
Catechismus vr. 19
Catechismus vr. 20
Catechismus vr. 21
Catechismus vr. 22
Catechismus vr. 23
Catechismus vr. 24
Catechismus vr. 25
Catechismus vr. 26
Catechismus vr. 28
Catechismus vr. 29
Catechismus vr. 30
Catechismus vr. 31
Catechismus vr. 32
Catechismus vr. 33
Catechismus vr. 35
Catechismus vr. 36
Catechismus vr. 39
Catechismus vr. 40
Catechismus vr. 42
Catechismus vr. 43
Catechismus vr. 45
Catechismus vr. 47
Catechismus vr. 49
Catechismus vr. 51
Catechismus vr. 52
Catechismus vr. 53
Catechismus vr. 54
Catechismus vr. 55
Catechismus vr. 56
Catechismus vr. 57
Catechismus vr. 58
Catechismus vr. 59
Catechismus vr. 60
Catechismus vr. 61
Catechismus vr. 62
Catechismus vr. 63
Catechismus vr. 64
Catechismus vr. 65
Catechismus vr. 66
Catechismus vr. 67
Catechismus vr. 68
Catechismus vr. 69
Catechismus vr. 70
Catechismus vr. 71
Catechismus vr. 72
Catechismus vr. 73
Catechismus vr. 74
Catechismus vr. 75
Catechismus vr. 76
Catechismus vr. 77
Catechismus vr. 78
Catechismus vr. 79
Catechismus vr. 80
Dordtse Leerregels
Dordtse Leerregels art. 2
Dordtse Leerregels art. 3
Dordtse Leerregels art. 4
Dordtse Leerregels art. 5
Dordtse Leerregels art. 6
Dordtse Leerregels art. 7
Dordtse Leerregels art. 8
Dordtse Leerregels art. 9
Dordtse Leerregels art. 10
Dordtse Leerregels art. 11
Dordtse Leerregels art. 12
Dordtse Leerregels art. 13
Dordtse Leerregels art. 14
Dordtse Leerregels art. 15
Dordtse Leerregels art. 16
Dordtse Leerregels art. 17
Hoe moet ik omgaan met
Aalmoezen
Aanvechtingen
Achterklap
Afgoderij
Alcohol
Ambt
Antisemitisme
Atheïsme
Barmhartigheid
Bastaardvloeken
Beeldende kunst
Bekering
Bekommering
Belediging
Berusting
Biblicisme
Bijbel
Bijbelkringen
Bijbelverklaringen
Bijbelvertalingen
Bijgeloof
Buitenkerkelijk christendom
Catechisatie
Censuur
Chiliasme
Chiromantie
Concubinaat
Confessionalisme
Conflicten
Creationisme
Cultuur
Dans
Doodzonde
De Doop
Drift
Dromen
De duivel
Eenzaamheid
Eer
Eerlijkheid
Eeuwigheid
Egoïsme
Eigendom
Eigengerechtigheid
Emancipatie
Emotie
Ergernis
Erotiek
Evangelicals
Evangelie
Evangelisatie
Evolutietheorie
Exorcisme
Fanatisme
Feestdagen
Film
Flirten
Formulieren van eenheid
Fossielen
Frustratie
Fundamentalisme
Gastvrijheid
Gebed
Gebed des Heeren
Gebedsgenezing
Gebedsverhoring
Geboorteregeling
Geduld
Des HEEREN Lof
Johannes à Lasco (1)
Johannes à Lasco (2)
Johannes à Lasco (3)
Johannes à Lasco (4)
Johannes à Lasco (5)
Willem Farel (1)
Willem Farel (2)
Willem Farel (3)
Willem Farel (4)
Willem Farel (5)
Willem Farel (6)
Islam
Girolamo Savonarola
Petrus Datheen (1)
Petrus Datheen (2)
Johannes Calvijn (1)
Johannes Calvijn (2)
Johannes Calvijn (3)
Johannes Calvijn (4)
Maarten Luther (1)
Maarten Luther (2)
Maarten Luther (3)
Maarten Luther (4)
Maarten Luther (5)
Maarten Luther (6)
Maarten Luther (7)
Maarten Luther (8)
Maarten Luther (9)
Maarten Luther (10)
Ambrosius
Guido de Brès (1)
Guido de Brès (2)
Guido de Brès (3)
Guido de Brès (4)
Guido de Brès (5)
Guido de Brès (6)
Guido de Brès (7)
Guido de Brès (8)
Augustinus (1)
Augustinus (2)
Augustinus (3)
Augustinus (4)
Augustinus (5)
De Germanen
Abt Gregorius
Petrus Waldes (1)
Petrus Waldes (2)
John Wycliff
Johannes Hus
wat de bijbel zegt over
Abraham
Benauwdheid
De drie-eenheid (1)
De drie-eenheid (4)
De drie-eenheid (2)
De drie-eenheid (3)
De drie-eenheid (5)
De drie-eenheid (6)
De drie-eenheid (7)
De drie-eenheid (8)
De drie-eenheid (9)
De drie-eenheid (10)
De jeugd (1)
De jeugd (2)
De wederkomst
Elkaar vergeven (1)
Elkaar vergeven (2)
Gods Woord
Heersen
Hoop
Kastijding (1)
Kastijding (2)
Lankmoedigheid
Matigheid
Oefening
Rijkdom
Strijd
Toorn
Zachtmoedig
 

 

Over Psalmen en Gezangen gesproken!

Deel 2

Auteur: W. Kok VDM

Dit is deel 2 in een serie van vier artikelen: deel 1, deel 2,  deel 3 en deel 4. U kunt ook de complete studie als PDF document downloaden.

2. Op weg naar een nieuwe psalmberijming?

Een nieuwe berijming geeft altijd deining

Wie de geschiedenis van de psalmberijming bestudeert, raakt verwonderd over de hoeveelheid Nederlandse psalmberijmingen die door de eeuwen heen zijn gemaakt. Vanaf de 16e tot en met de 20e eeuw komen we al gauw tot zo’n honderd berijmingen van het hele psalmboek of van een aantal psalmen. Tegelijk is het triest om te zien hoeveel deining rondom de invoering van een andere berijming ontstond. Overigens kan hetzelfde gezegd worden als het gaat om de invoering van een andere Bijbelvertaling.

Toen de berijming van 1773 werd ingevoerd, noemden sommigen dat duivelswerk en hielden diverse gemeenten vast aan de berijming van Petrus Datheen. Zo ging het ook met de nieuwe psalmberijming van 1967.
Hetzelfde zien we gebeuren bij de verandering van Bijbelvertaling. Toen de Statenvertaling in 1637 de Deux-Aesbijbel (tot dan toe de meeste gebruikte Bijbelvertaling) verving, klonken er ook harde woorden. Bij de verschijning van de Herziene Statenvertaling noemde Ds. A. Kort, predikant bij de Oud Gereformeerde Gemeenten, deze vertaling een ‘list van de duivel’. Ook van andere kansels schijnt het woord ‘duivels’ te hebben geklonken.
Op de website ‘Bijbel en Geloof’ wordt de Herziene Statenvertaling o.a. zo besproken: “Ondertussen hebben we voorbeelden genoeg gezien, om te beweren dat de HSV geen Statenvertaling is (...). Een restauratie van de Statenvertaling is het allerminst! Het is eerder een afbraak van de Statenvertaling! En dan wel op een geraffineerde manier. Onder “vroom taalgebruik” wordt mensen alsnog Gods Woord afgepakt! Een passender naam voor de HSV zou zijn: een Heel Subtiele Versie.” Heel triest als je op die manier polemiseert.

Zo gebeurde het in de 16e eeuw in de vluchtelingengemeente van Londen dat de gemeenteleden zelfs twee berijmingen door elkaar zijn gaan zingen, namelijk de voorstanders van de berijming van Jan Utenhove en die van Petrus Datheen.

Al enkele jaren zong deze gemeente uit de berijming van Utenhove, maar na de verschijning van de berijming van Datheen wilden diverse leden dat men deze berijming zou gaan zingen. Kennelijk schuwde men het niet om de kerkenraad daarbij met ongeestelijke middelen onder druk te zetten, want na de invoering van de psalmberijming van Datheen gingen de opbrengsten van de collecten beduidend omhoog!

Van 1566 tot 1773 vormde de psalmberijming van Datheen de belangrijkste liedbundel van de Nederduits Gereformeerde Kerk. Vanwege de stijl en niet-melodieuze vorm stond Datheens berijming al vanaf het begin onder kritiek. Een belangrijk punt daarbij was dat hij geen Hebreeuws kende en bij zijn berijming uitging van een eigen vertaling van de Franse psalmen (het Geneefse Psalter, waarvan Calvijn de initiatiefnemer is geweest).

Datheen was muzikaal gezien niet begaafd. Hetzelfde gold voor zijn letterkundige kwaliteiten. Dat valt meteen al af te leiden uit de psalmberijming die hij maakte. Hij telde gewoon het aantal noten per regel en zorgde dat de zin evenzovele lettergrepen bevatte. Zodoende hield hij te weinig rekening met de melodische accenten, zodat je botsende woord- en muziekaccenten krijgt. Bovendien vallen de vele onnodige stoplappen op. Helaas kende hij geen Hebreeuws, maar vertaalde de Franse psalmen waarbij hij gebruik maakte van de Deux-Aesbijbel.
De naam Deux-Aesbijbel werd gebruikt naar aanleiding van een aantekening bij Nehemia 3:5, waar gesproken wordt over de wederopbouw van de muren van Jeruzalem waaraan aanzienlijken niets wilden bijdragen. De tekst van de aantekening luidt: ‘Deux aes en heeft niet, six cinque en gheeft niet, quater dry die helpen vrij’. Dit gezegde is ontleend aan een commentaar van Luther dat verwijst naar het dobbelspel en aangeeft dat de armen (twee en een) niets bezitten, de rijken (zes en vijf) niets geven en de middenstand (drie en vier) wel bereid is te helpen. Later is deze kanttekening verwijderd. (vgl. Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 65, blz.18)
Het Oude Testament van de Deux-Aesbijbel is vertaald uit de bijbel van Maarten Luther door Godfried van Wingen en het Nieuwe Testament door Gillis van der Erven is geheel uit de brontekst vertaald. De Liesveldtbijbel heeft ook als bron gediend.
In 1540 had ook jonkheer, Willem van Zuylen van Nijevelt, de 150 psalmen al tot verzen-met-rijm omgesmeed en daaraan bestaande melodieën van volksliederen gekoppeld. Men noemde deze populaire bundel de ‘Souterliedekens’ (souter = psalter = psalmboek). Het was dus geen kerkmuziek, maar volksmuziek, waarvan de woorden teruggrepen op de Bijbel.
Ik vermeld dit omdat ten onrechte wordt beweerd dat vele Geneefse psalmmelodieën oorspronkelijk populaire volksliedjes zouden zijn geweest. Helaas keert dit hardnekkige misverstand steeds weer terug.

Diverse dichters hebben pogingen ondernomen om een psalmberijming te maken die beter aansloot bij de Hebreeuwse tekst.

Marnix van Sint Aldegonde (1540-1598) deed dit al kort na de verschijning van de berijming van Datheen. Hoewel zijn berijming beter was dan die van Datheen, is het vanwege allerlei redenen dat zij toch niet werd ingevoerd. Ook na de invoering van de Statenvertaling (1637) is het niet gelukt om meteen ook een andere psalmberijming in te voeren, ondanks het feit dat nu het verschil in taal met de berijming van Datheen wel heel sterk naar voren kwam.

Jacobus Revius (1586-1658) die zelf betrokken is geweest bij de Statenvertaling schrijft in het voorwoord van zijn psalmberijming: Dat de nieuwe oversettinge des Nederduytschen Bybels, met een goede verbeteringe der Psalmen, diemen inde kercke gewoon is te singen, behoorde gevolgt te worden, is het eendrachtich gevoelen van alle verstandige.

Zijn berijming kwam in 1640 uit. Al op 3 januari 1635 schreef Revius aan zijn collega Sibelius: “Ik wenste vurig dat er ook zou worden nagedacht over het verbeteren van onze berijmde psalmen. Aan een zo zorgvuldig uitgevoerd werk [de Statenvertaling] zou immers een zozeer verwaarloosde leemte zeker tot oneer strekken. Zelfs met één kalkpot kunnen deze muren gewit worden, ik zou zeggen met de minste aanstoot, en dat kan in één moeite door gebeuren, terwijl het later, met de grootste zwarigheid, niet meer door één [persoon] beproefd kan worden. Ik beken dat ik ook altijd behoefte gevoeld heb aan een grotere zorgvuldigheid en sierlijkheid in de berijmde psalmen.”

Revius betreurt het dat de Dordtse Synode niet mede het besluit had genomen tot herziening van de psalmberijming.

In zijn voorrede schrijft Revius dat één bepaalde werkwijze voor hem de voorkeur had: Ende come nu tot het laetste middel, 'twelcke ick voor het sachtste ende beste altijt gehouden hebbe, namelijck de verbeteringe van Datheni Psalmen, als dewelcke den minsten aenstoot soude geven, ende alsoo lichtelijcxt aengenomen worden.

Hij heeft dus gekozen voor de adaptatiemethode: een bewerking van de bestaande en in gebruik zijnde berijming, wat concreet betekende dat zoveel mogelijk het goede en bruikbare moest worden gehandhaafd en het overige eruit gegooid. De gemeente moest in Revius' berijming de vertrouwde berijming van Datheen blijven herkennen, anders was invoering reeds bij voorbaat uitgesloten. De adaptatiemethode is niet uniek. Na het verschijnen van de Statenvertaling in 1637 passen ook andere dichters in de 17e eeuw haar toe, zoals o.a. Christiaen van Heule, Henrick Bruno en Cornelis Boey, die respectievelijk in 1649, 1656 en 1658 een psalmberijming uitgaven. Ook zij vermeldden - net als Revius - nadrukkelijk de naam Dathenus op het titelblad, om daarmee aan te geven dat hun eindprodukt een evidente relatie vertoonde met de toen in gebruik zijnde berijming van Datheen.

Revius is er spoedig achter gekomen, dat de opgave die hij zichzelf gesteld had, niet eenvoudig was. In zijn voorrede erkent hij: Ende moet wel bekennen, dat ick int werc getreden zijnde, bevonden hebbe vry wat meer daer toe te behoren dan ick my inden aenvanck hadde ingebeeldet,...

Revius moest veel meer wijzigen dan hij aanvankelijk had gewild. De zingende gemeente zal een wijziging als zodanig minder sterk ervaren, wanneer de rijmklank aan het eind van de regel, die immers het best in het gehoor blijft liggen, onaangetast is gebleven. Revius heeft met dit principe rekening gehouden. Als we de percentages gewijzigde regels vergelijken met de percentages van de gewijzigde rijmklanken, dan liggen de laatste veel lager dan de eerste. Ook op deze wijze blijft de tekst van Datheen min of meer herkenbaar.

(Bij dit gedeelte heb ik veel gebruik gemaakt van het opstel van J. de Gier ‘Revius' psalmberijming: omwerking en verbetering’ in: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 72 (1979), blz.399-411, zijn opstel in Theologia Reformata, jaargang XXIX nr.3, 267-291, en de dissertatie van Enny de Bruijn, Eerst de waarheid, dan de vrede, blz.307vv).

Ook Abraham Trommius spreekt in 1695 op dezelfde manier over de psalmberijming. De Staten-Generaal hebben weliswaar voor kerk en school alle oude Bijbelvertalingen afgeschaft, maar het oude psalmboek van Datheen is nog steeds in ere gebleven. En dat kan eigenlijk niet. Trommius wil voorzichtig te werk gaan, vanwege alle gevoeligheden, maar hij komt toch met zijn ”Sachte Verbetering der Psalm-Rymen Datheni”.

Wilhelmus à Brakel bepleit in 1700 in zijn ”Redelijke Godsdienst” een psalmberijming die beter aansluit bij de grondtekst. Hij schrijft met het oog op de psalmberijming van Datheen: ‘t was te wenschen, dat een kunstig en godzalig dichter zijn werk er van maakte, om ze beter, en met den grondtekst beter overeenkomende, op dezelfde wijzen te dichten, en dat ze in de kerken tot het publiek gebruik aangenomen werden.

Wilhelmus à Brakel schrijft: “Te dien einde hebben verscheidene godzaligen geestelijke liederen, op verscheidene tonen, gemaakt. Luther is, zoo het schijnt, de eerste geweest na de hervorming, wiens liederen heden ten dage nog van de Luterschen in de kerken, en bij ons van particulieren met stichting gezongen worden. In onze dagen heeft de onvergelijkelijke Justus van Lodesteyn een liedboek gemaakt, dat ten opzichte van de geestelijkheid zonder weerga is.

C. Marot heeft de eerste vijftig van Davids psalmen gerijmd en Th. Beza de andere honderd, in de Fransche taal, waarop Claud. Gaudemelius, een beroemd muzikant te Parijs, die ook in den Parijschen moord als martelaar is omgekomen, de wijzen heeft gemaakt, die naar het oordeel van de muzikanten onverbeterlijk zijn. P e t r u s D a t h e n u s heeft ze uit het Fransch in de Nederlandsche taal gedicht, op dezelfde wijzen ‘t was te wenschen, dat een kunstig en godzalig dichter zijn werk er van maakte, om ze beter, en met den grondtekst beter overeenkomende, op dezelfde wijzen te dichten, en dat ze in de kerken tot het publiek gebruik aangenomen werden gelijk zeer wel van de Nederlansche synoden besloten is, geen andere, dan Davids psalmen in de kerk te gebruiken.” Zie “Redelijke Godsdienst” deel 2, uitgave 1881, blz.517. (NB: Met ‘tonen’ en ‘wijzen’ doelt hij op melodieën.)

Ook Stadhouder Willem V was voor de vervanging van de berijming van Datheen door een betere. Het verhaal gaat dat hij rond 1772 in de Kloosterkerk te Den Haag een dienst bijwoonde en bij het het zingen van Psalm 78 zijn psalmboek demonstratief wegwierp, omdat hij zich niet schuldig wilde maken aan godslastering. In deze psalmberijming wordt God namelijk voorgesteld als een dronkenman die zijn tegenstanders met bruut geweld neerslaat.

Psalm 78 vers 33 van Datheen luidt:

Maar gelijk een dronkig mens hem opmaket,
Als de wijn wel verteerd is, en ontwaket,
Die zeer luid tiert en maakt een zeldzaam wezen,
Alzo is ook onze God opgerezen,
En sloeg 't achterdeel der vijanden kwaad,
't Welk hun een eeuwige schand' is en smaad.

Uiteindelijk kwam het dan in 1773 tot een nieuwe berijming, die nu ‘de oude berijming’ (OB) wordt genoemd. Niet de kerk gaf daartoe de opdracht maar de overheid.

De Staten-Generaal verzochten aan de Staten van alle Provincies afgevaardigden te benoemen voor een Staatscommissie, die uit negen predikanten bestond, één uit elke provincie, en drie vertegenwoordigers van de regering. Na zo’n 120 keer te hebben vergaderd in het Mauritshuis te Den Haag kwam de commissie in juni1773 met haar werk klaar.
Deze berijming werd uit drie berijmingen samengesteld: die van Johannes Eusebius Voet, Hendrik Ghijsen en het genootschap Laus Deo, Salus Populo. Uiteraard werd er aan deze berijmingen nogal wat geschaafd. Echter, achteraf bezien niet genoeg. Op last van de overheid werd deze berijming officieel ingevoerd op 1 januari 1775.

Op 1 januari 1775 werd deze berijming door de overheid verplicht ingevoerd. Niet alleen in de kerk maar ook op school en in het openbare bestuur moest deze gezongen worden, met uitsluiting van alle andere berijmingen. Als er onwilligen waren, dan moesten de classes hen op hun plicht wijzen.

En, inderdaad in diverse plaatsen ontstond er verzet. Dit werd ook nog verhevigd door de nieuwe zangwijze die werd ingevoerd: het ritmisch zingen.

Nu was het ritmisch zingen echter niet iets nieuws. Het Franse Psalter van Calvijn werd immers al ritmisch genoteerd en gezongen. Men keerde dus eigenlijk weer terug naar de oude manier van zingen. Omdat velen moeite hadden om de psalmberijming van Datheen ritmisch te zingen - waarvoor deze berijming inderdaad ook niet geschikt was en mede vanwege de nagalm in grote kerken - zong men indertijd al gauw niet-ritmisch (iso-ritmisch). Men zong in die tijd in een wel zeer langzaam tempo: een noot duurde in sommige gemeenten wel vijf seconden of meer. Het zingen van de vijf verzen van Psalm 87 kon zo wel bijna een kwartier duren.

Het verzet nam soms de vorm aan van een volksoproer (Vlaardingen, Maassluis, Westkapelle).

In zijn boek ‘Het psalmenoproer’ (te Maassluis) schrijft Maarten ’t Hart doorgaans heel kritisch over ’zijn’ dorpelingen, maar als het erop aankomt staat hij achter de oproerkraaiers. „De leden van de Staten-Generaal, die elke zondag braaf ter kerke gingen, wilden af van de lange erediensten, maar met de korte zingtrant ontnamen ze de kerkgangers de mogelijkheid om te improviseren. Je moet het niet- ritmische psalmzingen van toen vergelijken met de jazz van nu. Mensen mochten die lange noten zo mooi versieren als ze zelf wilden. De overheid ontnam hen dat genot. Schande!”

Psychologisch Inzicht

We zagen dat vele pogingen van dichters die een berijming maakten, die beter aansloot bij de Hebreeuwse tekst, uiteindelijk toch strandden. Niet altijd omdat hun werk ver beneden de maat zou zijn, maar omdat het iets nieuws was en het als een aanslag werd ervaren op ‘het oude vertrouwde’.

Dichters als Revius en Trommius hebben goed begrepen dat het invoeren van een nieuwe psalmberijming heel wat emoties losmaakt. Iets wat diep in het geheugen is ingesleten kun je niet zomaar vervangen. Haast als vanzelf treedt er een mechanisme in werking van afkeer, zoals bij een klein kind dat iets te eten krijgt wat afwijkt van wat het gewend is om te eten. Zo wordt door de meesten van ons gereageerd op dingen die afwijken van wat we ons vanaf onze jonge jaren hebben eigengemaakt: het roept gevoelens van verzet op.

Zo terecht Enny de Bruijn, Eerst de waarheid, dan de vrede, blz.307vv. In haar dissertatie over Jacob Revius gaat De Bruijn uitvoeriger hierop in. Revius toont inzicht “in de manier waarop de psalmberijming van Datheen de gereformeerde groepsidentiteit, maar ook de persoonlijke identiteit van voorafgaande generaties heeft gevormd en versterkt. De berijmde verzen zijn ingesleten in het geheugen – zeker in een tijd waarin veel kerkgangers niet kunnen lezen of schrijven –, mensen zijn eraan gehecht geraakt door voortdurende herhaling en de verzen zijn bovendien geladen met emotie wanneer ze concreet troost hebben geboden in een moeilijke situatie.”

We zien dit gebeuren bij de poging om de berijming van Datheen te vervangen. Het getuigt van psychologisch inzicht als je met dergelijke reacties rekent en daarop inspeelt. Daarom biedt Revius zijn psalmberijming aan als een goede verbetering van de psalmberijming van Datheen, terwijl Trommius haar aanbiedt als een zachte verbetering daarvan. Hetzelfde zien we gebeuren in onze tijd, waarbij men een herziening van Statenberijming van 1773 probeert te maken in de hoop dat deze binnen de gereformeerde gezindte als een goede verbetering zal worden begroet. De geschiedenis leert echter dat met een dergelijke poging het gewenste doel niet wordt bereikt. Het werk van commissie Harteman en de bundel van E. Hofman zijn een voorbeeld van een dergelijke poging.

Dit is deel 2 in een serie van vier artikelen: deel 1, deel 2,  deel 3 en deel 4. U kunt ook de complete studie als PDF document downloaden.